Stichting dr. O. Noordmans
Plaats in de uitgave: Suameer
Weergave
Lezen
Lettergrootte

328. A. de Graaf1 aan O. Noordmans

Utrecht, 19 juni 1921

Weleerwaarde Heer,

Hoewel ik niet het genoegen heb u te kennen, kan ik niet nalaten u met een enkel woord mee te delen dat ik in lange tijd niet iets gelezen heb, waarmee ik zo geheel, ja bijna woordelijk instem als uw artikel ‘Mystiek in de Moraal’ in het laatste nummer van Eltheto.2 Ook de wijze waarop u de Odyssee aanhaalt en interpreteert vind ik bijzonder schoon, terwijl ik ook met uw oordeel over Goethe’s Wilhelm Meister geheel meega. In het gehele stuk blijven vorm en inhoud op één hoogte, culminerend in de prachtige eindzinnen, niet minder schoon gedacht als uitgedrukt. Er blijkt weer uit dat schoonheid een eigenschap is van de waarheid. Ik heb er veel aangehad en dank u er voor. Met de meeste hoogachting, uw dw. dienaar,

A. de Graaf.

(AN)

Noten

  1. 1

    Mr. Andrew de Graaf (1864-1945), zoon van ds. N.H. de Graaf en J.E. Pierson, van 1908-1940 inspecteur van de Centraal Bond van Christelijk-Philanthropische Inrichtingen in Nederland.

  2. 2

    ON, ‘Mystiek in de moraal’, VW 1, 357-366. Hierin besteedt ON aandacht aan aspecten van J.W. von Goethe Wilhelm Meisters Lehrjahre (1795) en de Odyssee van Homerus.

← vorige327. O. Noordmans aan M.J.A. de VrijerSuameervolgende →329. O. Noordmans aan D. Boer
Verantwoording

Deze brief komt uit het zetbestand van het gedrukte Verzameld Werk, niet uit een scan; de noten staan bij hun verwijzing. Dat bestand heeft geen paginanummers, daarom wordt een brief aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de Correcties aan om te zien waar de tekst verbeterd is, en waar we twijfelen (⚑). Ziet u een fout, laat het ons weten.

Een fout melden
Bureau