137. J.P. Eringa1 aan O. Noordmans
Oostwold (Oldambt), 22 oktober 1897
Geliefde neef.
Reeds veel te lang heb ik het uitgesteld om uw letteren van 10 augustus (dat is waarlijk reeds meer dan twee maanden geleden) te beantwoorden. Intussen hebt gij vacantie genomen en enige tijd bij uw ouders te Scharnegoutum doorgebracht, en ik veronderstel, dat gij nu reeds geruime tijd in Utrecht teruggekeerd zijt. Voor een paar weken hebben wij Lambers en Trijntje bij ons gehad en toen nog druk over u en over de geneeswijze van de heer Van Velthuizen gesproken. Zij waren bezig met de lezing van een boek van zekere Riko,2 waarin die geneesmethode behandeld wordt. Neef heeft beloofd het boek ook mij ter lezing te zullen geven. Ik ben benieuwd om nader kennis met de geneeswijze te maken. Maar hoog boven de geneeswijze staat natuurlijk de genezing zelve. Ik behoef u waarlijk niet ten tweeden male te zeggen, dat wij van harte hopen, dat gij deze onder de behandeling van de heer Van Velthuizen moogt vinden. We begrijpen volkomen, dat het u soms duizelt, wanneer gij over uw eigen levensweg nadenkt. Het leven is inderdaad vol raadselen en Gods wegen zijn wonderlijk. Ik heb in mijn jeugd tien jaren, naar het scheen verloren. Ik ging, 12 jaar oud, naar IJlst om mijn voet op het pad der studie te zetten, en ik was 22 jaar toen ik mijn plaats nam op de banken van de Latijnse school te Dokkum naast kleine jongens van 12-14 jaar. De jaren, die daartussen lagen, waren jaren geweest, waarin veel kwaads en niet veel goeds was uitgericht. Zij schenen dus meer dan verloren te zijn. En toch moet ik achteraf zeggen, dat ook die tien jaren voor mij een school geweest zijn, waarin ik menige les geleerd heb, die ik niet vergeten zal tot aan het graf. Wij mensen worden op allerlei wijze voorbereid voor het leven en voor de arbeid, waarin God ons gebruiken wil. En nu beschouwt ge ook deze vijf jaren misschien als verloren jaren, maar het kan ook u later duidelijk worden, welke kostelijke lessen daarin door u geleerd zijn. Maar van harte hoop ik, dat gij nu aan het einde van uw woestijnreis staat en gij zo langzamerhand weer voor de studie geschikt wordt. En al wordt dan ook de schat van kennis, die ge u in uw hoofd bergt, wat kleiner, dan gij u van meet af hadt voorgesteld, nil interest, non scholae sed vitae discimus.3 Uw leven kan daarom, als de Here u spaart, even goed een nuttig leven worden. Wij hebben het nog altijd zeer druk. In de nazomer was het ‘pruimen, appels, peren plukken’, zoals Poot4 zingt, en nu de wintermaanden komen is het catechisatiën houden, vergaderingen bijwonen, verenigingen leiden, preken maken, dat het u groen en geel voor de ogen wordt. Margriet, de jongste dochter van O. Knottnerus is al sedert een paar jaren niet al te wel, maar het gaat nog aardig goed. Wij zijn gelukkig nog allen goed gezond, behalve dat mijn vrouw nu en dan vrij erg hoofdpijn heeft. Geen huis zonder kruis, al is ’t geen zwaar. Nu waarde neef, houd maar moed en het oog op God. Jes. 54:10. Uw tijd zal ook nog wel eens komen dat gij tot het werkelijke leven terug kunt keren. Laat eens weer iets van je horen, en wacht niet zolang als ik gedaan heb. Onlangs ontving ik een brief van uw vader, die me even op de vingers tikte over een paar uitdrukkingen in De Gereformeerde Kerk.5 Ge weet, ik ben geen scherp denker, die alleen wel belijnde begrippen in het hoofd heeft en vandaar dat ik wel eens iets neerschrijf, wat er niet wel op door kan. Ik zal hem binnenkort antwoorden. Nogmaals het beste en ’s Heren zegen en vele groeten van mijn vrouw en Aagje en van uw liefhebbende neef,
J.P. Eringa.
(AN)