141. Oepke aan zijn ouders
Utrecht, 6 december 1897
Geliefde ouders!
Piers brief heb ik in gezondheid ontvangen. ’t Verwondert mij dat de pieken nog niet leggen. Ook de postwissel heb ik ontvangen. Eergisteravond zijn Jakob en Jan Eringa1 bij mij op de kamer geweest. Zij hadden hier een kleine bijeenkomst van vijf predikanten. Met mijn gezondheid gaat het goed. Ik kan echter niet veel lopen. Zowat anderhalf uur op een dag. Daarmee ben ik nu waarschijnlijk zowat op zijn laagst. Als ik lees voel ik de vermoeienis meer in de rug dan in het hoofd. Dit is een vooruitgang. De kwestie wordt langzamerhand meer een kwestie van kracht. De ziekte is voor het grootste gedeelte weg. Nu de zwakte na de ziekte. Ik twijfel niet of het lichaam zal zich nu langzaam herstellen. Hoe lang dat zal duren weet ik natuurlijk niet. Tot voorbeeld heb ik een ander die het ook vijf jaar gehad heeft.2 Die is nu zo wat een jaar lang behandeld. Hij wordt nu nog een keer in de week behandeld. In augustus van deze zomer was hij op het zwakst. Nu gaat hij de berg op. Die was echter veel erger dan ik. Hij was op weg om krankzinnig te worden. Met kerstmis kom ik natuurlijk thuis. Ik weet nog niet precies wanneer. Verleden zondag was ik bij ds. Gunning.3 Hij vond dat ik weer een gewoon mens was geworden. Toen ik in juni bij hem kwam, zei hij: ‘Er zal nog heel wat aan je moeten gebeuren, aan je ogen te zien.’ Gaarne heb ik weer eens bericht. Groet allen van mij, uw u liefhebbende zoon,
Oepke.
(AN)