Verantwoording
In de Verzamelde Werken, deel 9 wordt hierbij, in twee banden (te benoemen als 9.1 en 9.2), de correspondentie van dr. O. Noordmans gepubliceerd. Als op deze plaats voor iets verantwoording moet worden afgelegd, dan is het wel voor het feit, dat het sinds het uitkomen van het prekendeel in 1990 een kleine tien jaar heeft geduurd, voor het tot deze voortzetting kwam. Dat is meer dan de redactie in 1978 voor ogen stond voor de uitgave van het totale werk!
Voor deze verlating zijn twee oorzaken aan te wijzen. De eerste is gelegen in het feit, dat het opsporen van het briefmateriaal lastig was en veel tijd heeft gevergd. Het materiaal, waarover de redactie omstreeks 1985 beschikte, was voor een aanzienlijk deel afkomstig uit de nalatenschap van Noordmans zelf. Daarin waren de aan hem gerichte brieven dusdanig in de meerderheid, dat de publikatie daarvan wel een interessant stuk Nederlandse kerkgeschiedenis zou hebben geboden, maar nauwelijks een chronologisch geheel van Noordmans-brieven. De publikatie zou zich dan hebben moeten schikken rondom de twee enige belangrijke correspondenties, welke tweezijdig voorhanden waren, en wel die van K.H. Miskotte en P. Scholten. De redactie meende dat er meer te vinden moest zijn en is daarin ook geslaagd, al ontbreekt er veel, dat blijkbaar niet meer te achterhalen valt. Toch kwamen zoveel onbekende brieven tevoorschijn, dat er voortdurend aanleiding was tot nieuw archiefonderzoek. Van groot belang was het boven water komen van het archief van vereniging Kerkopbouw, dat zich bevond in de kelders van het toenmalige gebouw van de Hervormde synode, Carnegielaan 9, Den Haag (terwijl de andere synodale archieven ondergebracht waren in het gebouw Javastraat 100). Dit betekende steeds weer opnieuw beginnen. Hiermee komt ook de tweede oorzaak in het zicht: het verstrijken van de termijnen, welke terzake van financiële ondersteuning voor het redactiewerk met de Universiteiten van Kampen en Utrecht waren afgesproken. Ook al hebben zij die ook zelf menigmaal genereus verlengd en steeds geholpen bij het zoeken naar assistentiemogelijkheden, bij een zo lange periode wordt eenmaal de definitieve grens bereikt. Zo stonden wij voor het feit, dat onderzoek en bewerking voor het merendeel verricht moesten worden in de vrije tijd van overigens druk bezette redactieleden. Ook daardoor werd het tempo in hoge mate vertraagd. Wie de delen doorbladert, zal zich daarover, bij alle spijt over het lange uitblijven, niet verwonderen. De winst is echter, dat de redactie hier een werk aanbiedt, dat een wezenlijke aanvulling geeft op de theologische ideeën van Noordmans en dat omtrent de ontwikkelingsgeschiedenis van zijn denken een kennis verschaft, die door geen andere bron te overtreffen is.
Dat de tijd is voortgeschreden, is ook zichtbaar in het feit, dat in de tussenliggende periode twee van de redactieleden ons zijn ontvallen, en wel J.M. Hasselaar en G. de Ru. Prof. Hasselaar nam tegen het midden van de jaren zeventig het initiatief tot de uitgave en heeft tot aan zijn dood het voorzitterschap bekleed. Dr. de Ru was vanaf het begin redactielid en heeft zich steeds ingezet voor de behartiging van de zakelijke en financiële aspecten van de uitgave en de daarvoor opgerichte Stichting. Wij gedenken hen met eerbied en dankbaarheid.
De bovengenoemde uitbreiding van het materiaal betekende niet alleen bewerking maar ook heroverweging. Het werd duidelijk, dat in het aanwezige bestand ook veel geschift en gesnoeid moest worden. Als algemene stelregel is daarbij gevolgd, dat alleen brieven van en aan Noordmans in aanmerking kwamen om opgenomen te worden, een enkele uitzondering daargelaten. Vele brieven van en aan Durk Piers Noordmans, de vader van Oepke, weliswaar niet zonder belang voor het verstaan van het Friese milieu, vielen daarmee dus af. Maar ook ten aanzien van de uitgebreide verzameling overige familiebrieven van en aan O. Noordmans moest geselecteerd worden, als zijnde van minder belang voor het verstaan van het denken van Noordmans. Een beperkt corpus van de jeugdbrieven is opgenomen, omdat zij zicht bieden op de aard en de biografie van de jonge Noordmans en zijn kerkelijke herkomst. Het totaal van de selectie is telkens in nauw overleg met de familie Noordmans (en voorzover het de brieven van K.H. Miskotte betreft eveneens met de familie Miskotte) met grote zorgvuldigheid geschied. Hier en daar zijn, soms uit redenen van verondersteld gering belang, soms om persoonlijke overwegingen, gedeelten [...] weggelaten. Dit is in hoge mate het geval bij de brieven van O. Noordmans aan zijn kinderen uit de jaren 1944-1945, welke om deze reden - hun speciale karakter mede in aanmerking genomen - aan het einde, los van het doorlopende chronologische verband, zijn opgenomen.
De redactie is zich bewust dat het gebodene ondanks alle pogingen in vele opzichten een torso is gebleven: er zijn (nog altijd) meer aan O. Noordmans gerichte brieven dan van hem afkomstige. Soms waren correspondenten niet bereid brieven, die zij in bezit hadden, af te staan. Heel vaak bleek het ook te gaan om niet meer voorhanden archieven, of onderdelen daarvan, van overleden personen, zoals bij J. Koopmans en A.A. van Ruler. Uiteraard zijn ook vele brieven aan O. Noordmans - nog afgezien van hun kerkhistorisch belang, dat waarschijnlijk zonder deze publikatie onopgemerkt zou blijven belangrijk voor de contemporaine receptie van zijn persoon en theologie. Ongetwijfeld zullen zich hier en daar ondanks alle speuracties nog brieven van O. Noordmans bevinden. De redactie houdt zich voor signalering daarvan ook verder aanbevolen.
In het materiaal valt een duidelijke caesuur waar te nemen tussen de jonge Noordmans in zijn Friese milieu en de latere jaren in Laren en Lunteren. De Friese jaren zijn vooral biografisch interessant voor de wording van deze theoloog. Eerst in Laren slaat Noordmans echt zijn vleugels uit, komt hij in aanraking met vele van de belangrijke theologen van zijn tijd en krijgt hij de allure van een eigentijdse kerkvader. Zijn medewerking aan tal van commissies wordt steeds belangrijker al bleek niet alles daarvan meer te achterhalen. Het is uitermate interessant, op de afstand van meer dan vijftig jaar, op te merken, welk een invloed hij op zijn tijdgenoten heeft uitgeoefend en voor hoevelen hij de eigenlijk leidende, visionaire theoloog is geweest.
De redactie is zeer erkentelijk voor de hulp die zij van vele kanten heeft ondervonden. Met nadruk worde hier de goede samenwerking met de familie Noordmans, de familie Miskotte (alsmede de Miskotte-Stichting) en de familie Scholten genoemd. Voorts danken wij de medewerkers van de Fryske Akademie te Leeuwarden, het Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme te Amsterdam (VU), met name dr. G. Harinck, het Katholiek Documentatiecentrum te Nijmegen, het Archief van de Bond van Nederlandse Predikanten, vervolgens Dr. A. de Groot te Zeist, Drs. J. van Gelderen te Kampen ... voor hun hulp.
De keuze uit het voorhanden materiaal en de bewerking ervan geschiedde onder verantwoordelijkheid van J.A. Noordmans, G.J. Paul en W. Balke. De voorbereiding van dit deel geschiedde onder verantwoordelijkheid van W. Balke en J.A. Noordmans. Als assistenten zijn betrokken geweest: N.J. Pronk, D.N. Wienen en K. de Jong. Helaas moest G.J. Paul zich in de loop van de bewerking uit het actieve werk terugtrekken; zijn plaats werd ingenomen door M.G.L. den Boer.
De gebruiksregels zijn in dit deel eenvoudiger dan in vroegere delen. Een dubbel notensysteem was uiteraard overbodig, daar brieven gewoonlijk zelf geen noten bevatten. Men treft de noten achter de afzonderlijke brieven aan.
Van de hoofdcorrespondenten zoals b.v. A.M. Brouwer, Th.L. Haitjema, K.H. Miskotte en P. Scholten zijn niet telkens herhaalde verwijzingen gegeven: men raadplege desgewenst het register, waar hun naam het eerst voorkomt. Het register vermeldt, in afwijking van de andere delen, overigens alleen namen, die in de tekst van de brieven genoemd worden. Bij elke brief is aangegeven, uit welk archief of van wie deze afkomstig is. De redactie heeft zich tot goed begrip beijverd op sommige plaatsen uitvoerige ondersteunende informatie, veelal in de vorm van citaten, te bieden.
De spelling van de brieven is lichtelijk, maar niet geheel, aan de huidige aangepast. Ook in de commentaartekst zal men hier en daar, in spelling en werkwijze, dingen vinden, die van de vorige delen afwijken. Het was helaas niet te vermijden, dat hierin ook enige interne ongelijkheid is blijven bestaan.
De redactie spreekt de verwachting uit, dat het mogelijk zal zijn, binnen afzienbare tijd de uitgave te voltooien met het tiende deel, dat nog een aantal nagekomen en niet goed elders te plaatsen stukken, en een uitvoerig geheel van registers (waaronder een zaakregister) zal bevatten. Wij zien naar dit ogenblik uit, want het werk zal, voltooid, een monument zijn van de Nederlandse twintigste-eeuwse theologie, dat zijn ‘vermanende’ functie wel daardoor lang zal vermogen te behouden, omdat het reeds in de eigen tijd herinnerde aan de diepe gronden van de christelijke kennis, die wij met alle eeuwen delen en die ook voor de toekomst meer zal betekenen dan de zo talrijke modes van de dag.