100. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 5 mei 1893
Lieve Oepke!
Vrijdagmorgen 10⚑_ uur. Maandagmiddag na het afzenden van uw brief1 kwam er bericht van Walda namens mevr. Enderlé, dat indien ik ds. Enderlé nog eens levend wilde zien, dat ik dan spoedig komen moest, dewijl het einde van zijn leven ogenschijnlijk niet verre meer was. Ik ben er dadelijk heengegaan en toen ik hem een paar troostwoorden toesprak, dat er bij de Here uitkomsten waren ook tot over de dood en dat deze troost zich grondt daarin dat iemand zich bewust was het eigendom van Jezus Christus geworden te zijn, toen sprak hij stamelend deze woorden uit psalm 73 vs. 12: ‘ ’k Zal dan gedurig bij U zijn/In al mijn angst en nood en pijn’ en toen ik daarop dit vers ten einde bracht, knikte hij toestemmend, waarna ik een poosje zwijgend bij de stervenssponde heb gestaan. En bij het afscheid hem te kennen gevende, dat ik hem hoogstwaarschijnlijk niet meer in dit leven zou ontmoeten, sloeg hij de ogen naar boven en zei met zwakke stem: ‘dan hier boven’. ’s Avonds om 7 uur, toen Pier nog eens zou vragen hoe het was, toen was hij zo pas gestorven. Gisteren heeft de begrafenis op gebruikelijke wijze plaats gehad, met dit onderscheid, dat ds. Kalma uit IJlst2 (die de voorgang had), nadat hij een kort woord in het sterfhuis gesproken had, een lijkrede in de kerk heeft gehouden, waarbij de gehele gemeente mocht tegenwoordig zijn, en zeer velen gebruik van hebben gemaakt, terwijl de gemeente toen heeft gezongen psalm 73: 12 en 13 en Gezang 61:5. In huis is sedert maandag geen bijzonders voorgevallen. Maandag zijn Van Dijk en Anne bij ons geweest. Dinsdag nadat ik uit de stal terugkwam, is Hardes bij ons geweest. Woensdag is Jakob naar Spannum geweest en heeft meteen een kijk genomen op de afgebrande boerderij. Het was een afgrijselijk gezicht, al die verbrande beesten daar te zien liggen. 22 koeien, 2 paarden, 17 stierkalveren en enige hokkelingen, het is er alles ingebleven. De knecht heeft er f 1200 bij verloren dat hij zo pas had gebeurd voor een huis dat hij in eigendom gehad had. Ook de kerk en toren van Jellum waarvan ik schreef, is geheel afgebrand of liever uitgebrand. Van gisteren weet gij en heden komt D.V. Zr. Lanting als vanouds. Onze koeien en hokkelingen zijn nog allen op stal, alleen de kalveren zijn er uit. Maandag en dinsdagnacht heeft het hier aardig geregend, dinsdag, woensdag en donderdag was het mooi weer, hedennacht heeft het weer aardig geregend. Thans is het wat koud, noord-oosten wind. Het gras groeit aardig, niet hard, de natuur is niet recht warm genoeg, doch als het zo aangroeit, dan zullen de koeien omstreeks 12 mei in het land kunnen. De bomen zijn reeds geheel in blad en het land begint zich met bloemen te versieren zodat alles zowat een aangenaam aanzien bekomt. En ziedaar weer enige vermelding van hetgeen zowat is voorgevallen in ons dagelijks leven. Zijt verder hartelijk van ons allen gegroet; Moeder, Jakob, Pier, Gep, Gerben en Wybrig, zij groeten u allen alsmede Van Dijk en Anne. Met kleine Gep wordt het wat beter en Gerrit is bijna weer beter. Zij beginnen beide weer te spelen, maar mogen niet uit de warme kamer. Nogmaals gegroet uw u liefhebbende vader en moeder
D.P. Noordmans en G.O. de Roos.
Schrijf spoedig weer eens terug, Oepke.
(AN)