Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Wörishofen 1893

Weergave
Passages naar Readwise sturen

107. J.C. van Ronkel1 aan O. Noordmans

zondag, 4 juni 1893

Amicissime,

Ziezo, nu zullen we eens aan de gang gaan. Maar één ding voorop: als je meent (trouwens, dat meen je niet), dat ik niet aan je denk, dan heb je het mis. Maar ik stem je toe, ik had je wel eens mogen schrijven. Maar ik ben tegenwoordig zo druk aan de arbeid (over een paar weken hoop ik examen te doen), dat ik blij ben thans een gelegenheid te vinden om mijn reeds lang geleden opgevat plan te volvoeren. Vooruit, daar gaat ie dan, vogue la galère!2 Maar je moet me niet kwalijk nemen, als het scheepje niet altijd in dezelfde richting gaat en zulke wonderlijke sprongen maakt, dat de passagiers niet weten hoe ze het hebben. Want ten eerste is het zondagavond (reactie na een week van examengepomp), ten tweede ben ik op het ogenblik nog al goed gestemd (goed gegeten), en ten derde verkeer ik onder de indruk van de geheel-onthouders-parodie op je briefkaart. En noem je je zelf nu zo maar ‘de arme banneling’? Ja, ik kan het me voorstellen, prettig is het niet om ver van vrienden en kennissen op vreemde bodem te zijn overgeleverd aan de handen van roomse medici. Maar je moet maar denken: het hoeft maar enkele maanden te duren en dan ben ik er, naar we hopen, voorgoed van af! Couragie, amice, couragie, couragie! Als je wat mistroostig bent, weet je wat je dan doen moet, je zelf met geweld vrolijkheid opdringen. Ja, dat lijkt nu wel philosophisch, stoïcijns, chimaerisch en wie weet wat al niet meer, maar toch is het niet zo gek als het lijkt. Kerel, wat moet je daar doen zonder opgewektheid en levenslust? Je begrijpt toch wel, dat dat even goed nodig is voor je zenuwen als de hele methode van Kneipp. Ik ben tegenwoordig ook niet bepaald in omstandigheden, die je veel lust tot jubelen en frohlocken geven, want ik wil je vertellen, dat dat ellendige examengeploeter op de duur het zuiverste Levietisch bloed in een mengsel van stroop en azijn zou metamorfoseren. Maar ik moet het toch doen, dus nu denk ik maar: dan maar met een zekere dosis opgewektheid, anders is er nog kans, dat de theologische faculteit een geestelijk dode zal hebben te examineren, iets waarbij mijn examen niet zou boffen, geloof ik. En zo gaat het ook met jou, een genezingsmethode van zenuwen moet gesteund worden door een behoorlijke mate van opgewektheid van de patiënt. Dat is geen lekenwijsheid, maar dat ligt voor de hand. Je moet nu niet menen, dat ik niet kan komen in je gevoel van eenzaamheid en daar niets van voel, warempel niet, maar je moet je er over heenzetten. Wein, Kneipp und Gesang! Probatum est!3 ’s Morgens het Rheinweinlied, ’s middags het Gaudeamus en ’s avonds het Friese volkslied! Je moet de groeten van Warners4 hebben. Ik zal ze je meteen maar van Bronders5 doen, hoewel ik hem in de laatste dagen niet gesproken heb. Ja, meen maar niet, dat ik nu al ga eindigen, dat komt er zo maar eens tussenin, ik heb vanavond geen zin om mijn gedachten zwaar-filosofisch te rangschikken, maar het papier zal vol! Onze vriend heeft pas examen gedaan, goed gegaan natuurlijk, de torens van het paleis van Herodes met zijn gehele doorluchtige famielje van echte en onechte spruiten hebben weer triomfantelijk geparadeerd in het sombere verblijf van de theologische faculteit. Ik geloof dat ditmaal de gehele flora en fauna van Palestina ook al in kleuren en geuren aldaar wordt tentoongesteld. ’t Is toch een onmetelijk rijk gebied, die antiquiteiten van het oude Israël! Ja, ja, houd je mond maar, ik weet wel wat je vragen wil, je wou weten hoe het tegenwoordig met Bronders gaat. Nu, de jonge mens mag zich in goede welstand verheugen; mogelijk heeft hij je wel geschreven dat hij een poos geleden zeer veel last had van slapeloosheid (ja, dat was warempel geen kleinigheid, ik had zeer met hem te doen), maar dat is helemaal over. Hij slaapt thans als een Sybarietje,6 meneer. Laat dat manneke maar lopen, hij weet er zich altijd met Haegse behendigheid weer uit te draaien. Die slaapdrank had hij op de raad van dokter N7 laten varen. Toen hij ten langen leste door de verrukkelijke gevolgen van de toverdrank in een staat van gecombineerde slaapdronkenheid en slapeloosheid begon te verkeren, heeft de oude pil gezegd: Marinus, jongen, ik zou die slaapdrank nu maar eens terzijde zetten, zie je, want dat had ik nou zo niet bedoeld, zie je, dat je je daarvan niet heel lekker zou gaan voelen, zie je. - Nu, zoals je weet, Marinus is een verstandige jongen, hij belooft beleefd het niet meer te zullen innemen, maar dacht bij zich zelf: ik wou dat ik je even handig de nek om kon draaien als jij je pillen draait. Wat doet nu onze Marinus? Slim als hij is, wendt hij zich tot een specialiteit in Brussel, die hem als geneesmiddel een electrische machine aan de hand doet (dat wil dan zeggen, voor de nietsbeduidende som van 60 gulden). Marinus neemt na ontvangst, dat ding onder de arm, gaat er mee naar de oude pil, duwt de deur van de Aesculaap open, en zegt: ziehier, jouw symbool van het Jan Salie-geslacht, personificatie van de medische wetenschap uit het midden der 13e eeuw, hier breng ik je een product van de werkkracht van de 19e eeuw, van de 19e eeuw, zie je, waar jij o glorievol feestnummer uit de pruikentijd geen flauw benul van schijnt te hebben, dat zij reeds meer dan 90 jaar geleden is aangebroken. De pil schrikt een beetje (erg schrikken kan zo’n oude pillendraaiende Hollander natuurlijk niet), trekt wat aan zijn pruik, en zegt met het lieflijk grommend geluid van een beer, die toch niet heel erg op zijn gemak is: ja met een e-klank, je, khmmm, khmmm, je, mijn jongen, zie je, ik wist dat ook wel, zie je, je, khmmm, maar, je, zie je, khmmm, he, daar kan je niet tegen, khummm. Marinus antwoordt: ja ziet u, meneer de pil, tegen die slaapdrank kon ik ook niet, en dat heeft u ook geprobeerd, dus we zullen dit nu ook maar proberen. - Nu, Bronders heeft er in werkelijkheid niet tegen gekund, niet meer dan een dag of vijf, maar nu slaapt hij toch zonder slaappil en zonder electriciteit uitstekend. Ja, ik moet me wat bekorten, want papier raakt op en tijd ook, moest eigenlijk al in bed zijn. Het is in Leiden nog altijd hetzelfde, nieuws is er niet, allen welvarend. Kip8 heeft een poos de influenza gehad, nu weer beter; de rest springlevend in het dode Leiden. We hebben mooi weer hier, al een paar maanden lang, laatste dagen alleen wat koud. Nu amice, saluut, saluut, saluut! Beterschap en couragie zijn je uit een goed hart toegewenst door

J.C. van Ronkel.

(AN)

Noten

  1. 1

    J.C. van Ronkel, zie brief nr. 59 (18.11.1888), n.6.↩

  2. 2

    = laat de boel maar waaien!↩

  3. 3

    Lat.: Probatum est.↩

  4. 4

    C.J. Warners (1871-1940), studiegenoot van ON te Leiden, herv. pred.↩

  5. 5

    M.J. Bronders, zie brief 102 (8.5.1893), n. 1.↩

  6. 6

    Sybariet, eigenlijk een bewoner van Sybaris, een stad in Beneden Italië, die in de oudheid berucht was door haar weelde, verwijfdheid en wellustig leven; vandaar figuurlijk voor wellusteling, verwijfde.↩

  7. 7

    Prof. W. Nolen, zie brief nr. 86 (okt 1892), n. 1.↩

  8. 8

    Kip, wellicht een Leidse studiegenoot.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 106. Oepke aan zijn oudersWörishofen 1893108. Oepke aan zijn ouders →