29. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 4 september 1887
Lieve Oepke!
Om aan uw verlangen te voldoen zal ik u een paar woorden schrijven. Moe’s verjaardag1 behoort natuurlijk thans weer tot het verleden. Ook de stemming van heden voor de Tweede Kamer. Op de verjaardag is niets bizonders ter vermelding waard (voor u) voorgevallen. Lambers en Trijntje, A. van der Meer en Baaije, Van Dijk en Anne zijn bij ons geweest, benevens kleine Betje, Sjoerdje en Gep. Trijntje was niet recht wel, zij moest weer erg hoesten. Oepke de Roos is ’s avonds mee naar Longerhouw gereden en is nog niet terug. De stemming is weer ten voordele van de liberalen uitgevallen. De verhouding van het getal stemmen tussen hun en onze kandidaten stond zowat 5 tot 4. De kwestie tussen ds. en meester2 is in staat van wijzen en zal hoop ik door tijdverloop in de doofpot geraken - opgelost is ze echter niet. Het kan dus ook zijn dan het vuur - wordt het deksel van de doofpot ontijdig opgelicht - weer opflikkert. Over uw catechisatie heb ik aan ds. van Lingen geschreven. Ik heb aan zijn eerwaarde geschreven in welke leer ik verlangde dat gij zoudt onderwezen worden en het verder aan hem overgelaten. Ik meen onbevoegd te zijn tot een keus over iets waarmee ik niet genoeg bekend ben. Wij hebben bij ons sedert uw vertrek veel regen en wind gehad - de regen viel somtijds als bij stromen neer. Bij u zal het zeker ook wel veel geregend hebben. Donder hebben wij weinig gehad. De bomen hebben er van geleden, maar toch zijn ze niet gehavend. Onze dahlia’s zijn er nogal goed afgekomen. Onze weide wordt iets beter. Het gaat echter nog niet veel vooruit; zo zachtjes aan kan het bij gunstig weer wat vooruit komen, doch de tijd is misschien te ver voor weelderige groei. De boomgaarden zullen zeker bij u veel geleden hebben van de harde wind, althans bij ons. Nu, lieve Oepke, wat zal ik meer schrijven over nieuwtjes die alledaags zijn, daartoe gevoel ik geen lust. Liever wilde ik u schrijven over die dingen, die het koninkrijk Gods aangaan. maar vind ik daarvoor bij u een open oor? Dat ge er belang bij hebt de Here Jezus te leren kennen als ook voor u nodig tot zaligheid, dewijl gij meebehoort tot die allen die van nature verdoemelijk zijn voor God, is zeker. Dat het mijne oprechte begeerte is dat er ook bij u een vragen geboren wordt, als dit: wat moet ik doen om zalig te worden, daarvan behoef ik u niet te vergewissen. En dat ook voor u geldt het woord des Heren: ‘wendt u naar Mij toe en wordt behouden’3 daarvan geef ik u op grond van Gods Woord de stellige verzekering. Hartelijk gegroet van uw u liefhebbende vader
D.P. Noordmans,
alsmede van uw lieve moeder G. de Roos, ook van Jakob, Pier, Gep, Gerben en Ymkje.
(AN)