45. Oepke aan zijn ouders
Zetten, 9 september 1888
Geliefde ouders!
Mijn briefkaart hebt ge naar ik hoop in goede welstand ontvangen. Van Sneek tot Leeuwarden heb ik met Tom1 gereisd, doch in Leeuwarden heb ik hem niet meer gezien, nadat hij bij Donia2 stond te praten. Ik ging toen eventjes in de wachtkamer en toen ik weer op ’t perron kwam, zag ik Tom niet meer. Hij zal vanzelf nu wel bij ons wezen, hij kan nu eens met Friesland kennismaken. Oepke3 gaat nu zeker mee. Ik meende dat ik niets vergeten had, maar toch is het zo, en wel een woordenboek op Homerus, dat ik van Lambers te leen gekregen heb.4 Ik zou gaarne willen dat vader mij dat zond. De rekening heb ik betaald, en de kwitantie kan ik later wel sturen met die van de kwartaalrekening. Mijn koffer was nogal vrij wat door elkaar geschud, tenminste het stuk rookvlees was vrij wat van zijn plaats geraakt, en de kaas had ook enige buitelingen gemaakt. Gerrit Miedema5 is hier nu ook. Hij heeft een kamertje gehuurd op het oude gebouw. Oepke de Roos moet mij zijn adres nog eens schrijven, want ik weet dat niet nadat hij verhuisd is. Hoe is ’t, is Tom al eens aan ’t bosjen6 geweest, ik denk het haast wel, als Pier locomotief is, dan zijn er gewoonlijk wel wagens te vinden. Ds. Gunning7 geeft over een veertien dagen zijn afscheidspreek hier op Zetten. Nu, nieuws heb ik niet meer, ik heb mij wel een beetje verveeld in de trein, maar de balletjes hebben mij goed gesmaakt. Ik verwacht spoedig eens bericht terug. De groeten aan al de huisgenoten en ook aan Tom. Ontvangt zelf ook de hartelijke groeten van uw u liefhebbende zoon,
Oepke.
(AN)