52. J. van Rijs1 aan Oepke Noordmans
Kampen, 12 oktober 1888
Amice!
Het eerste wat ik doe is wel excuus vragen, dat ik je zo lang heb laten wachten. Ik zou je dadelijk al geschreven hebben, maar door allerlei omstandigheden was ik genoodzaakt het uit te stellen. Ik hoop echter dat gij ’t mij niet kwalijk neemt, doch dit vertrouw ik dan ook wel. Doch laten wij daarover maar zwijgen. Ik wil u nu eerst op uw vragen antwoorden. Mijnheer Thierry2 en Willem van Lingen3 moeten beide nog van twee jaar contributie betalen. In deze maand zijn zij het derde jaar ingetreden. Dus zij moeten ieder 5 gulden betalen. Een begunstigerslijst heb ik ook nooit gehad, ’t moest altijd bij overlevering geschieden. Ik raad je zeer aan om zo spoedig mogelijk te maken, want ’t is zeer lastig. Nu geloof ik dat ik je vragen beantwoord heb. Tot mijn genoegen heb ik gehoord, dat jij de dolerende kant niet overhelt. Ik wil volstrekt niet zeggen dat je van Zetten af moet gaan, dat moet ieder zelf weten. Ik hoop nooit de jongens van Zetten af te lokken, maar als je wel van plan bent om van Zetten te gaan, dan zou ik gaarne willen dat je hier ook kwam. Wij hebben hier een heel gezellig ploegje oud-Zettenaren. Ik kan nu juist niet zeggen dat de stad op zich zelf zo prettig is, doch doordat er zoveel oud-Zettenaren zijn is het hier heel gezellig. Wat ’t werken hier aangaat, dat staat mij best aan. Je krijgt niet veel op, maar er mag dan ook niets aan ontbreken. Maar je moet je volstrekt niet voorstellen, dat je hier niets behoeft te doen, niet als zoveel op Zetten werd gezegd, doch met niets doen kom je er hier evenmin als in Zetten. Maar van de les leer je hier veel meer als op Zetten. Grieks niet, die baas4 is veel te goed, doch daar kan je veel om denken door er geen misbruik van te maken. Maar als je al van Zetten wilt, kom dan hier dan kom je dadelijk weer in een oude vriendenkring, en die omgang is hier heel gezellig. ’t Verheugt mij echter zeer dat je nog niet met de dolerenden meegaat. Al was je nu al dolerend, daarom zou ik toch altijd wel met je om kunnen gaan, maar ik heb het zo liever. Je zult nu zeker ook wel veel moeten horen van die andere jongens en van ds. van Lingen. Dat vond ik altijd zo vervelend, dat hij zulke pieken5 daarover uitdeelde, laat ieder in zijn geloof. Spreek er anders over met je tegenhanger, maar om altijd die pieken voor zoete koek op te nemen, dat verveelt ook al spoedig. Daar heb je hier volstrekt geen last van, en de leraren laten je in alles vrij. Zij respecteren ieders gevoelen, en wat ze dan voor zichzelf zijn dat gaat mij weinig aan. Ik geloof dat hier een leraar is, die zich altijd niet stil kan houden, doch als hij je beledigt, kun je hem dwingen om voor de gehele klas te herroepen. Voor twee jaren heeft hij ’t in de derde klas moeten doen voor een zoon6 van Wielinga,7 docent aan de Theologische School. En vloeken of iets dergelijks hoor je hier van de leraren niet, tenminste ik heb het nog van niemand gehoord, dat valt mij verbazend mee. Nieuws weet ik nu eigenlijk niet, ik zou je nog wel een paar Kamper uien kunnen vertellen, maar zij zijn te flauw om er over te schrijven. Over die luchtballon hebt gij zeker wel gehoord, dat was ook een goede Kamper ui. Nu, amice, ik wil voor dit poos sluiten. Schrijf spoedig eens terug en zeg tegen Wiersma8 dat ik al lang op een brief van hem heb gewacht. Dan moet hij er dadelijk een portret bij doen. Toen ik hem geschreven heb, wist ik niet dat hij ze had. Ik moet toch Roorda9 ook nog een sturen, dan zal ik hem ook een sturen, en als jij portretten hebt, dan stuur je mij ook maar eens gauw een. Hoor je, wees zo goed en druk het Wiersma eens goed op zijn hart. Nu, amice, het ga je wel. Zijt hartelijk gegroet van je toegenegen vriend
J. van Rijs.
P.S. Groet alle vrienden en ook de docenten van mij en geef s.v.p. de brief die hierbij zit aan de secretaris van Chrysostomus. ’t Is Meyer10 zeker nog? Adieu.
(AN)