502. W.J. Aalders1 aan O. Noordmans
15 februari 1935
Zeer waarde Heer
Juist heb ik uw artikel in Eltheto2 gelezen en ik dank u daarvoor zeer. Het geeft mij veel te denken. Ik zie de grote divergerende lijnen en kan toch - dit is mijn aangeboren kwaal - de tegenstelling niet zien. Of het moet enerzijds op spiritualisme uitlopen. Geen Woord zonder Geest, enerzijds; maar ook geen Woord zonder het Vleesgeworden Woord anderzijds. Ik houd mij de laatste tijd, ambtshalve (ik behandel nl. de ethiek van Calvijn) veel met de Institutie bezig en ik kom telkens weer onder de indruk van de afstand tussen de dialektische theologie - type Barth - en Calvijn. En het treft mij hoe nu Calvijn zelf altijd weer nadruk legt op de Wahlverwandtschaft met Augustinus. En Augustinus lezende, speciaal zijn Civitas Dei, kom ik de laatste tijd telkens weer onder de indruk van zijn realisme en synthetische houding, met het nodige voorbehoud natuurlijk. Ik sta verbaasd hoe men dat zo geheel anders kan zien, temeer als deze ‘men’ een rasecht theoloog is, zoals Barth en gij zijn. Ik heb mij door Slotemaker de Bruïne3 laten overhalen om uw Herschepping4 aan te kondigen en heb dit met vrijmoedigheid - ook tegenover mij zelf - gedaan. Ik hoop, dat gij u niet over mij te beklagen zult hebben. En ik hoop dat te sterker, nu ik mij niet over u te beklagen heb. Met verzekering van hoogachting en groeten, uw dw.
W.J. Aalders.
(AN)