507. J. Koopmans1 aan O. Noordmans
’s Heer Hendrikskinderen, 18 mei 1935
Hooggeachte ds. Noordmans,
Zeer dank ik u voor uw brief, die mijn twijfel heeft overwonnen. U deelt blijkbaar de opvatting van een dissertatie als een proeve van methodisch werken. Aan prof. van Rhijn2 heb ik nu geschreven, dat ik me wil beperken tot de discussie, die er in de tijd der Reformatie is gevoerd over het gezag der kerk. De ‘praktische dissertatie van Calvijn in Genève’ zullen we dan maar laten wachten tot na mijn theoretische. Uw opvatting van de Geneefse poging als een paradigma is een nieuw gezichtspunt. Tegenwoordig kom ik nogal eens in aanraking met de gereformeerde collega van Goes, ds. Van der Vegt,3 een voortreffelijk kenner van Calvijn en vermoedelijk de minst neo-calvinistische onder zijn broederen, die grote bezwaren heeft tegen de tegenwoordige A.R.-Realpolitiek, ook tegen het Utrechtse besluit inzake art. 36,4 en regelrecht terug wil naar Calvijn. Dat geeft tot de merkwaardigste gesprekken aanleiding, zoals u zich wel kunt voorstellen. Heel graag zullen we u logeren omtrent de 23ste juni. Uw aanbod om op die zondag een van mijn beurten over te nemen aanvaard ik met vreugde. Gaarne laat ik u de keus tussen de morgen- en de middagdienst. Des morgens komen de mannen en de jonge mensen, des middags meest de vrouwen. Het liefst gaf ik u de morgenbeurt, maar misschien wilt u liever ’s middags preken. Wanneer u er niet meer over schrijft, wil ik er gaarne op rekenen, dat u ’s morgens preekt. Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting, uw
J. Koopmans.
(AN)