513. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Haarlem, 27 september 1935
Zeer vereerde Noordmans,
Hartelijk dank voor de toezending van uw laatste geschrift.1 Ik hàd het eigenlijk al, want nauwelijks wordt er een gerucht vernomen, dat er iets van u gaat verschijnen, of ik heb het reeds besteld. Nu mag ik zeker wel de een of ander blij maken met uw geschenk - een man of vrouw, die het waarderen kan en ’t moeilijk kopen kan? Dit is ook wel weer theologische exegese, en zelfs méér in mijn zin, dan het stuk over Melchisedek,2 want er is een groter voorveld voor het algemeen-fenomenologische gelaten. Maar, met alle respect en bij alle dankbaarheid, ik begrijp nu toch beter wat er tégen de door mij voorgedragen driedeling der exegese3 is, niet zozeer principieel als wel practisch. De hele conceptie van de zaaier als de opstandige schijnt mij buiten de schriftuurlijke gegevens òm te gaan.4 De schouwing krijgt, dunkt mij, te veel eigenmachtigheid. Deze wordt later òf losgelaten òf meegenomen als een dominant in de eigenlijke exegese. Daarom is mij het tweede stuk5 ook liever. Vergeef me deze vluchtige opmerkingen. Ze bedoelen niets àf te doen van het wezenlijke in het geschrevene. U weet hoe de kunst van ongewoon zijn in gewone schijn mij bekoort - en hoezeer ik opensta voor de serene zakelijkheid van uw spreken. Als ik iets van u opsla, moet ik altijd denken: eindelijk eens geen burgerman! toch ook geen kramp tégen de burgerlijkheid. Het is de inverse moed tot eenzaamheid, die de gestaltenis van het onschijnbare zich verkiest. Al dit gestamel betekent: dank, hartelijk dank, dat u ook aan mij gedacht hebt. En nu schiet mij te binnen: heb ik u Geloof bij de gratie Gods6 laten zenden? Ik meende van wel - maar misschien heeft de uitgever mijn opdracht niet uitgevoerd. Ik zeg dit niet om u te pressen er iets over te zeggen, want daarvoor zou ik eerder bang zijn, maar omdat het mijn voornemen is, steeds als er iets verschijnt aan u te denken als een der eersten, die het zien moet. Met vriendelijke groet, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)