520. G. van der Leeuw1 aan O. Noordmans
Groningen, 7 oktober 1935
Amice,
Ziehier wat ik op uw vragen kan antwoorden. Uw rede, in antwoord op die van Aalders,2 kan zo ongeveer tien minuten duren, ’t mag ook iets langer of korter. Gij kunt daarbij aantekeningen gebruiken. Wat de inhoud betreft, zijt ge geheel vrij; hetgeen ge noemt, lijkt mij zeer geschikt. Natuurlijk gaat de dankbetuiging voorop. Gij richt u tot de rector, die presideert. Ge dankt eerst de senaat, die het doctoraat verleende, daarna de faculteit, die het voorstelde, tenslotte de promotor. Epitheta ornantia3 kunnen wegblijven. De rector is meneer de rector magnificus, de promotor is hooggeleerde promotor. Verder spreekt ge gewoon van de senaat der universiteit, van de faculteit der godgeleerdheid enz. Ge kunt in zwart jacquet komen. Paranymphen zijn niet nodig. Vanwege de universiteit wordt in de loop van deze week uw promotie in de kranten gepubliceerd; ook dag en uur worden daarbij vermeld, zodat komen kan wie wil. Verder wordt van ons uit geen kennis gegeven. Maar zelf kunt ge dat gerust doen, daar de plechtigheid, als alle promoties, openbaar is. Ge kunt dus meebrengen wie ge wilt en voor uw familie enz. worden plaatsen gereserveerd. Na afloop der promotie recipieert ge in één der faculteitskamers, op kosten van de professorenkrans. Ik hoop, dat ge nu alles weet. Mocht er nog meer zijn, dan zegt ge het wel, ik zal u dan graag verder inlichten. Wat de vorm van uw bedankje betreft, kan misschien dit nog van nut zijn: eigenlijk wordt alleen de senaat bedankt, daar deze het doctoraat verleent. Maar dit is natuurlijk niet in overeenstemming met de feitelijke toestand, daar de senaat handelt, in vertrouwen op de faculteit. Deze handelt minder blindelings dan de senaat, daar haar leden de zaak beter kunnen beoordelen en de meesten een eigen opinie hebben. In de senaat kan zulk een zaak alleen op formele bezwaren stranden, in de faculteit ook op materiële. Maar hoe belangrijk in deze ook de rol van de faculteit is, zij kan niets doen (tenminste niet de facto)4 wanneer niet de man van het vak, waarin de promovendus uitblinkt, een voorstel doet. Theoretisch had bijv. ik dit dus ook kunnen doen; practisch echter niet; wanneer het niet van Aalders uitging, was de zaak onmogelijk. Uw dank zou dus het best zo kunnen zijn ingekleed, dat gij begint met de senaat en dat uw toon minder officieel en warmer wordt, naarmate gij van de senaat naar de faculteit, van de faculteit naar de promotor voortschrijdt. Met vriendelijke groet, t.t.
G. van der Leeuw.
(AN)