524. W.J. Aalders1 aan O. Noordmans
Groningen, 10 oktober 1935
Zeer waarde Heer,
Om met het laatste te beginnen, de situatie der zaal is deze. Het is de senaatskamer. De spreker - eerst ik, dan gij - staat achter de tafel, waarop een katheder is geplaatst. Links en rechts zitten de professoren. Vóór eventueel ook professoren, familie en belangstellenden. Uw zitplaats is door x, de mijne door xx aangeduid. Tussen u en mij zit de rector magnificus en de secretaris (resp. prof. Polak Daniels2 en Rochat3 - beiden medici). Gij spreekt dus de zaal in. De gewone schikking met examentafel, waarachter de promovendus zit, is losgelaten. Ik hoop zeer, dat uw vrouw zal kunnen meekomen. Ik dacht dat gij slechts één zoon en één dochter hebt. Als er nog een zoon is, zal ik hem gaarne aan tafel hebben, natuurlijk. Hopende u woensdag a.s. te mogen ontmoeten, geloof mij uw dw.
W.J. Aalders.
(AN)