547. D. Tromp1 aan O. Noordmans
Zandvoort, 18 oktober 1935
Hooggeachte Doctor Noordmans,
’k Heb de krant gevolgd en weet dus van deze ere-promotie. Zelfs gaf de krant er een plaatje2 bij. Toen kon ik ook zien dat u het was. Maar dit is iets wat je zwart op wit moet hebben, om het te geloven. Als iemand steeds genoemd wordt en het altijd maar bij noemen blijft. Wanneer iemand kwaliteiten heeft die vijf jaar geleden toch evengoed bekend waren, maar waaraan geen universiteit voldoende aandacht schonk, dan wordt men gedrongen om het lot te erkennen in zijn heerschappij over de daad. ’k Was blij toen de krant ’t meedeelde: ’t Speet me zo ver af te zitten van Laren en van Groningen. Hier hadden we bij moeten zijn. U heeft er recht op dat uw leerlingen zo’n gebeurtenis meevieren. En - wees u ervan verzekerd - u heeft meer leerlingen dan één der officiële professoren. Eindelijk een officiële erkenning. U had het langs de gewone weg kunnen doen. Uw artikel uit de Openbaring der Verborgenheid3 kan voor een dissertatie doorgaan. Maar u gaat nu eenmaal langs ongewone wegen, en...steeds op de begane grond. Nu hoop ik dat u iets gaat schrijven en dat opdraagt aan de Groningse faculteit. En weet u wat u dan eens zou moeten schrijven? Een stuk over Thomas van Aquino.4 U kent hem. U heeft zijn Summa5 grotendeels gelezen. U kent de middeleeuwse theologie. Het zou iets prachtigs worden en belangrijk. Nietwaar, we zien hoe de roomse theologen zitten te schiften in de dialectische theologie. We zien hoe de protestantse theologen het doen. We zien hoe er roomse theologen zijn, die toch eigenlijk niets anders zeggen dan protestantse theologen. De waardering van Brunner voor het ‘imago dei’6 is voldoende voor een rooms theoloog om er zijn ‘imprimatur’ aan te geven. Wat zou het goed zijn om hier Thomas te laten zien. Dit zou een stof voor u zijn. U kunt het beheersen; en u wordt niet overweldigd. Wij hopen op veel van uw hand. Wij zijn dankbaar voor deze erkenning. Dankbaar voor vrijwel ieder schriftuur van uw hand. U is er ons herinnering aan dat het in de woestijn toch kan bloeien. Met een hartelijke groet en een oprechte hand tot gelukwens en in dit alles denk ik mee aan uw vrouw, uw,
D. Tromp.
P.S. Ik zond eens een preek. Ik zou er voor terug krijgen een preek van u. Mag ik blijven uitzien? En zegt u eens uw oordeel over dat geschriftje van mij!7
(AN)