550. J. de Zwaan1 aan O. Noordmans
Leiden, 20 oktober 1935
Hooggeachte dr. Noordmans,
Laat, maar naar ik hopen mag niet te laat, kom ik u mijn hartelijke gelukwensen aanbieden met het u verleende eredoctoraat. Het deed mij niet alleen om u en om uw werk, maar ook om Groningen byzonder genoegen. Toen ik daar nog was, hadden wij daar al eens van gesproken, maar nu heeft men blijkbaar - fronte capillata post est occasio calva2 - het juiste ogenblik en de gelegenheid weten te grijpen om een erkende doctor ecclesiae ook als doctor theologiae te erkennen. Waarom ik u zo laat schrijf? Eenvoudig een kwestie van overlopende drukte met examens, tentamens, colleges, drukproeven en alles wat het professoraat nu juist niet tot een renteniersleven maakt. Ik denk nog met genoegen terug aan onze dagen te Woudschoten,3 waartoe het corrigeren van de revisie mijner ‘stellingen’4 dan ook alle aanleiding geeft. Met hartelijke groeten en beste wensen voor uw studiën en uw ambtswerk en huisgezin, met de meeste hoogachting,
J. de Zwaan.
(AN)