567. C.J. Bleeker1 aan O. Noordmans
Apeldoorn, 31 december 19352
Zeer geachte dr. Noordmans,
Verleden vrijdag maakte prof. Lindeboom3 naar aanleiding van uw inleiding een opmerking over de verhouding van het dogma tot de canones waarop ik gaarne een repliek uwerzijds had gehoord. Indien er meer tijd was geweest, had ik nog een vraag daarover willen doen, die ik nu maar schriftelijk doe. Het is mij niet alles duidelijk. Indien ik het wel begrepen heb, maakt u een scherpe scheiding tussen wat tot de kerk en tot de ‘school’ behoort. De kerk heeft alleen te oordelen over de prediking van Gods barmhartigheid. Tot de school rekent u dan de culturele belangstelling der ethischen en de wetenschappelijke aspiraties der modernen. De gedachte dat de kerk niet in de eerste plaats over theologie maar wel over het belijden, over het gehalte der christelijke vroomheid heeft te oordelen lijkt mij vruchtbaar. Ik vraag mij echter af of men kerk en ‘school’ zo scherp kan scheiden als u blijkbaar doet. Over de culturele belangstelling der ethischen kan ik niet oordelen. Ik zou mij echter kunnen voorstellen, dat dit meer dan schoolse wijsheid en hoogmoed is, n.l. een poging om zakelijk en concreet te prediken, zoals u in uw inleiding zo sterk verdedigde. Zodra men als evangelieprediker voor het nú wat wil zeggen moet men ingaan op cultuurvragen. Dat is van het begin van het christendom zo geweest: in de historische belijdenissen is het evangelie verwerkt in de vormen van het Griekse denken en de middeleeuwse filosofie. De kerkelijke ethiek heeft de Stoa en andere ethische stelsels te hulp geroepen. Hoe het zij, in de kwestie van het modernisme meen ik met stelligheid te kunnen beweren, dat de wetenschappelijke prae-occupatie, die dan typerend voor de vrijzinnigheid zou zijn, geen willekeurige liefhebberij is, maar een vrucht van hoger noodwendigheid, in zekere zin een geloofsnoodzakelijkheid. Men zal het modernisme nooit volledig leren verstaan, wanneer men daarachter niet godsdienstige motieven ontdekt. En wanneer men die eenmaal heeft gezien, dan wordt het duidelijk dat een typering naar de wetenschappelijkheid de kern van dit verschijnsel niet raakt. Prof. Lindeboom heeft dan ook in zijn Geschiedenis van het vrijzinnig Protestantisme4 met de stukken aangetoond dat het modernisme uit religieuze en christelijke bronnen vloeit. Het is de vertolking van het christelijk kerygma in een bepaalde toonaard. Zo gezien wordt het wel moeilijker om te scheiden wat van de kerk en wat van de “school” is, wat tot het evangelie hoort en wat tot de cultuur. Maar misschien heb ik u misverstaan. In elk geval ligt hier dan het probleem van evangelie en cultuur, geloof en wetenschap, kerkelijke en wetenschappelijke theologie. Persoonlijk wil ik de verbinding. Niemand kan mijns inziens in deze wereld zo maar vanuit het evangelie leven en prediken. Hoogachtend en met collegiale groeten, uw dw.,
C.J. Bleeker.
(AN)