584. W.J. Aalders1 aan O. Noordmans
Groningen, 2 juli 1937
Zeer waarde Heer,
Nu de aflevering van Stemmen des Tijds2 verschenen is, dank ik alsnog zeer voor uw Cartesius-artikel, dat door zijn oorspronkelijkheid - gij moogt dit woord in méér dan één zin opvatten - onder de literatuur ad hoc zeker een ereplaats aan ons tijdschrift geeft. Nu nog iets. In november wordt Vondel herdacht. Mij is gezegd, dat zijn godsdienstige positie volledig uitkomt in zijn Leerdicht: van God en godsdienst,3 en dat het van belang zou zijn, behalve een algemene Vondelherdenking, aan Vondel als gelovige en theoloog een afzonderlijk artikel te wijden. Het eerste kan ik niet beoordelen; het tweede wel. Vandaar dat ik u zou willen vragen: zoudt gij tijd en lust kunnen hebben om in het novembernummer van Stemmen des Tijds een stuk over Vondel in genoemde zin te schrijven?4 Met mijn groeten, hoogachtend, uw dw.,
W.J. Aalders.
P.S. Mag ik u hierbij een studie van mijn hand5 sturen? Het zou voor mij van waarde zijn bij gelegenheid eens hierover uw oordeel te horen. Tot dusver ontving ik alleen een oordeel - althans een van waarde - van Rooms-Katholieke zijde.
(AN)