593. W.H. van de Pol1 aan O. Noordmans
Utrecht, 21 december 1937
Zeer geachte ds. Noordmans,
Hartelijk dank voor deze grondige bespreking van mijn dissertatie2 in Nieuwe Theologische Studiën. Ik kan niet zeggen, hoe blij ik er mee ben. Zulk een volkomen begrijpen van mijn bedoeling en van mijn eigen positie heb ik nog maar weinig gevonden. Ik geloof, dat ook de zwakke zijde volkomen is aangewezen. Het zou b.v. beter geweest zijn, indien ik zelf scherper uiteen gehouden had de ‘notie’ van Newman als heraut en die van Newman als incarnatie van de oecumenische beweging. Wat u opmerkt over de logica van de ‘illative sense’3 geeft mij inderdaad te denken. Naar ik hoop zullen wij elkaar in Hemmen4 ontmoeten. Intussen met dank voor al het toegezondene en met mijn beste wensen voor Kerstmis en het komende jaar verblijf ik steeds gaarne uw t.v.
W.H. van de Pol.
(AN)