608. J.G. Geelkerken1 aan O. Noordmans
Amsterdam, 23 september 1938
Hooggeachte collega,
Van mr. van Deth,2 de secretaris van de redactie van het weekblad Woord en Geest heeft u dezer dagen het verzoek ontvangen om toe te treden als medewerker. Mij heeft de laatste redactie-vergadering bovendien de aangename opdracht gegeven, waarvan ik me bij deze dan ook zeer gaarne kwijt, om dit verzoek bij u aan te dringen en u mede te delen, dat ik ten volle bereid ben u alle door u gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover mij dit slechts mogelijk is. Mag ik beginnen met te zeggen, dat gans de redactie zich ten zeerste zou verblijden, wanneer zij u straks onder de vaste medewerkers mocht tellen. En voorts er u opmerkzaam opmaken, dat de vaste medewerking geenszins insluit het zich verbinden tot het schrijven van een bepaald aantal bijdragen gedurende een bepaalde termijn. Natuurlijk zal het de redactie niet anders dan aangenaam zijn, wanneer zij herhaaldelijk bijdragen van uw hand zou mogen ontvangen, maar zij laat de bepaling, hoe vele dit er zullen zijn - of hoe weinige - en wanneer er door u een bijdrage wordt gezonden, geheel aan uw eigen beslissing over. Daar ik meen te mogen veronderstellen, dat u genoegzaam met het karakter en de bedoeling van Woord en Geest bekend zult zijn, onthoud ik mij op dit ogenblik van inlichtingen daaromtrent, slechts herhalend, dat ik gaarne bereid ben op punten, waar u deze alsnog mocht wensen, deze te geven. In de hoop, dat de redactie op haar verzoek binnen enige tijd een gunstig antwoord van u zal ontvangen, noem ik me gaarne met collegiale groet, hoogachtend, uw,
J.G. Geelkerken, eindredacteur Woord en Geest.
(AN)