636. P. Scholten1 aan O. Noordmans
Hulshorst, 26 juli 1939
Hooggeachte dr. Noordmans,
Thans in de stilte der vacantie - ook het wereldgebeuren schijnt een korte rustpoos nodig te hebben en beroert ons thans niet - heb ik behoefte gehad uw boek over liturgie2⚑ nog eens goed door te lezen. Ik las het wel, maar uw werk eist altijd een terugkeren, bij eerste lezing pakt het slechts bij fragmenten. Nu ik dit gedaan heb moet ik nog eens uitspreken, dat Van der Leeuw3 toch eigenlijk aan alle principiële dingen is voorbijgegaan. Hij polemiseert voorzover hij zich aangevallen voelt, doet dit loyaal en soms sterk, maar het eigenlijke vind ik bij hem niet. Dat eigenlijke grijpt hij niet, omdat hem ontgaat wat het Woord is. Uw betogen over het Woord als de plaats van de ontmoeting met God, het Woord dat zich niet laat vangen in het pastoraat4 - zij zijn voor mij bij uitstek verhelderend geweest. Misschien juist daarom, omdat ik van nature een neiging heb tot al datgene wat Van der Leeuw aanprijst - wat toch alles een vooruitgrijpen is, dat ons niet is veroorloofd. Uw boek heeft mijn reformatorisch besef zeer versterkt. Niet wij brengen een offer maar het offer is voor ons gebracht - dat is de kern, die wij, zoals ge terecht zegt, moeten vasthouden.5 Gelijk gezegd, ik moest u dit nog eens zeggen. Maar ik heb tegelijk nog een vraag, die wij reeds raakten in ons gesprek na de redactie-vergadering. Het is deze: Is de Kerk niet ook de plaats waar de gemeente aanbidt? Het gemeente-gebed is toch nog iets anders dan de vraag om te mogen luisteren aan het begin en de dank dat wij mochten horen aan het eind. En de gemeentezang is toch essentieel element van de dienst! In de 38e zondag van de catechismus wordt naast het horen van het Woord, het gebruik van de sacramenten en de handreiking als doel van de dienst ook genoemd ‘de Here openlijk aan te roepen.’ Ik denk ook aan Joh. 4:21. Het ‘Wij loven u, o God’ is toch een volkomen gerechtvaardigd doel van de dienst. Dit punt komt naar mijn mening niet geheel tot zijn recht in uw boek. Het was wellicht niet nodig in het verband, maar het heeft wel recht op een plaats in de eredienst, zij het na het horen van het Woord en na het sacrament, doch naar mijn mening voor de handreiking. Ik schrijf u dit omdat ge er wellicht reden in vindt, als ge het onderwerp weer onder handen hebt, misschien wel in uw repliek op Van der Leeuw, er iets over te zeggen.6 Dit ook hierom, omdat ge als ge zo een enkele vingerwijzing geeft, ge het misverstand kunt weg nemen alsof ge zoudt menen dat de dienst, zoals hij thans in de Nederlandse Hervormde Kerk is, een heilig huisje zou zijn, waaraan niet mag worden geraakt. Immers het spreekt vanzelf dat deze traditie evenmin heilig is als de traditie van de Oude Kerk. Alleen we zullen wel moeten oppassen dat wij daar mee beginnen. Het wordt dan zo licht willekeur, daarin heeft Barth gelijk. Als wij eerst ons volledig onder het Woord stellen, als wij als Kerk, dus niet individueel, hier en daar een mens, daarvan getuigen op de ‘wereldakker’, dan kan in ons de behoefte komen in de dienst wijziging te brengen. Maar we moeten wel heel zeker zijn dat God dat wil. Voor mij is het alles nog veel te veel spel, een fraai, een vroom spel, maar spel. Ik hoop dat dit schrijven u van enige dienst kan zijn. Ge ziet er uit dat ge in uw werk aan de Kerk niet eenzaam staat. Met hartelijke groeten, uw dw.
Scholten.
(AN)