639. O. Noordmans aan P. Scholten1
Laren (G.), 2 augustus 1939
Hooggeachte professor,
Uw schrijven van 26 juli j.l.2 was mij zeer welkom en ik dank er u hartelijk voor. Behalve de u bekende polemieken zijn er wel enkele, maar toch niet zo heel veel reacties op mijn boek3 te mijner kennis gekomen. Het verheugt mij bizonder te mogen vernemen, welke gedachten, na herhaalde lezing bij u opkwamen. Uit mijn antwoord4 aan Van der Leeuw, dat ik reeds 20 juli verzond en waarvan ik dezer dagen proef verwacht, zult u merken, dat ik mijn best gedaan heb de bespreking terug te voeren tot ‘het principiële’ in mijn boek, waarover u schrijft. Het Woord als Reiziger en het Sacrament als Blijver; dat is de kern van mijn boek. Daarop is Van der Leeuw niet ingegaan en daarom heb ik dat met nadruk nog eens naar voren gebracht, in aansluiting aan een artikel van prof. Brom5 over Mis en Missie. Prof. van der Leeuw zet het Woord achter preek en sacrament terug, als onderstelling, om er dan over te gaan philosopheren. Dat is de moderne Incarnatie-gedachte, waaraan Aalders,6 ofschoon meer gereserveerd, ook zijn hart heeft verpand. Calvijn dacht anders als hij zegt, dat Christus voor ons staat: ‘evangelio suo vestitus.’7 De kern van deze kern is dan weer de schriftuurlijke offergedachte, dat het Offer in het Evangelie tot ons komt. Dit accepteert Van der Leeuw niet, maar de vluchtige wijze, waarop hij dat terzijde schuift, bewijst dat deze principiële dingen te weinig tot hem zijn doorgedrongen. Hij zit te vast in zijn liturgisch schema om er onmiddellijk voldoende op te kunnen reageren. Vermoedelijk zal dat meer geleidelijk moeten gaan. Over de Aanbidding heb ik in mijn antwoord ook geschreven. Daarbij heb ik opgemerkt niet zo klaar te zijn, als Van der Leeuw mij voorstelt. Ik zie wel een gevaar in dat sterke centraal stellen van de aanbidding. ’t Is, in de vorm waarin de Liturgische Beweging het uitoefent, zeer bepaald een novum. ’t Hangt samen met de bovenbedoelde Incarnatie-theologie en met de idealistisch-ethische beschouwingen over de eredienst. Ik heb in mijn antwoord daarop gewezen en een vergelijking gemaakt tussen bidden en aanbidden. ’t Laatste is toch niet minder dan ’t tweede. ’t Is persoonlijker, veiliger. Barth laat ergens in de Römerbrief8 de zonde geboren worden uit aanbidding van Eva voor God. De zondencatalogus der aanbidding is in ieder geval langer dan die van het bidden. Getuige de kloosterethiek. Bidden is ook, als ik het zo noemen mag, bijbelser. De tempelgebeden uit Lucas 18 geven geen aanbidding maar eenvoudig een gebed te beluisteren. Wanneer de aanbidding, in de zin van de Liturgische Beweging centraal werd, zou onze gereformeerde Dienst des Woords niet meer te herkennen zijn. Daarmee is niet gezegd dat het moment der aanbidding aan het bidden vreemd zou zijn. Maar het praedomineert - althans hier op aarde - niet. Het gebed van het kind Gods tot de Vader blijft ook in de eredienst, wat de Duitsers een Bitt-Gebet noemen. Het is een vragen; allereerst van vergeving der zonden; wat een al te directe adoratie van God uitsluit. Alleen de Heiligen kunnen regelrecht aanbidden. Zondaren zijn al bijna tevreden als ze bidden mogen. Ik vrees dat dat de verborgen grond is, waarom de aanbidding in de eredienst, zoals de Liturgische Beweging die drijft, te veel spel blijft, zoals u het ook noemt; en moet blijven. Bidden correspondeert met leven, zoals de Dienst des Woords dat ook doet. De aanbidding als centrum van eredienst maakt daarvan een afgesloten geheel. Op deze wijze geef ik mij voorlopig rekenschap van de moeilijkheid om de aanbidding de volle plaats te geven in onze godsdienstoefeningen. De Callenbachs zijn hier geweest voor het bundelen van onze discussie over liturgie.9 Ik heb mij bereid verklaard mijn stukken af te staan op voorwaarde dat: 1. alles wordt afgedrukt, zoals ’t er ligt; derhalve geen nieuwe discussie bij de correctie en 2. de discussie wordt afgedrukt, zoals ze er nu ligt, incluis natuurlijk mijn artikel van 15 augustus;10 derhalve geen dupliek van Van der Leeuw op mijn stuk in Woord en Wereld. Die zal welkom zijn, hier of daar, maar blijft - zo vroeg ik het - buiten de bundel. Met hartelijke groeten, Uw. dw.,
O. Noordmans.
(APS)