656. O. Noordmans aan P. Scholten1
Laren (G.), 13 november 1940
Hooggeachte professor Scholten,
Bij het schrijven van de Kroniek heb ik natuurlijk wel gedacht aan de door u genoemde punten. Maar ik had de vorige Kroniek geheel aan de Synode gewijd.2 Verder had ik redenen om het niet te doen. In het officieel orgaan van de Nederlandse Hervormde Kerk is het adres3 met geen enkel woord genoemd, alleen de boodschap. En wat de synodale boodschappen betreft had ik weinig aanleiding daarop in te gaan. In mijn vorige Kroniek heb ik zulk een boodschap besproken. Bovendien weet u dat ik vrij gereserveerd sta tegen het instituut van synodale boodschappen. In het officieel orgaan van de synode staat dat de synode besloot de lezing aan de predikanten ‘op te dragen’. Daartoe is de synode niet bevoegd en zij heeft het ook niet gedaan. De circulaire aan de predikanten hield in een ‘verzoek’. Het instituut boodschappen is, zoals u dezer dagen gemerkt zult hebben, rooms. Daar kan sprake zijn van opdragen. Tegen het verzoek bestond ditmaal geen bezwaar. Maar tegen de vestiging van zulk een instituut heb ik wel degelijk bezwaar. Wanneer reeds in ’t algemeen een protestantse synode niet bevoegd is, dan nog minder de Haagse synode in onze kerkorde. Er zijn allerlei redenen, die het onraadzaam maken zulk een instituut te vestigen. Deze dingen kan ik echter moeilijk in een Kroniek gaan behandelen en zal dit dan ook niet doen. Gaarne zal ik, als de gelegenheid zich voordoet, deze dingen nog eens met u doorspreken. Met mijn groeten, uw dw.
O. Noordmans.
(APS)