Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 7. Laren

Weergave

680. W.J. Aalders1 aan O. Noordmans

Den Haag, 2 october 1941

Hooggeachte Heer,

Nu de Synode de door u bedoelde voorstellen heeft aangenomen,2 stel ik er prijs op u mede te delen, dat ik uw bezwaren3 ernstig heb overwogen, maar, ook na de brede discussie in de Synode, niet tot de mijne heb kunnen maken. Wat het eerste betreft - ik geloof niet, dat de standplaatsfiguur die betekenis heeft, welke gij haar toekent. Gemeente en standplaats zijn nu eenmaal correlaten. Er is geen gemeente zonder standplaats, evenmin als een standplaats zonder gemeente. De gemeente is natuurlijk het eerste - het voornaamste. Dat aan de standplaats een afzonderlijk reglement gewijd wordt, betekent m.i. alleen, dat het er op aankomt de plaats van de predikant t.a.v. de gemeente en de kerk in bepaalde opzichten nauwkeurig te regelen.4 Ook uw tweede bezwaar acht ik niet houdbaar, al voel ik dit als meer reëel aan. Dat het leven ook zijn somatische kant heeft en dat hiermede moet worden gerekend, valt toch niet te ontkennen. Elke ziekte- en ouderdomsregeling5 rekent hiermede. Dat een regeling, als algemeen, altijd in bijzondere gevallen tot ongewenste toepassing leiden moet, is onvermijdelijk. Dit bezwaar is nu eenmaal inherent aan elke ordening, waarin de wet en niet de liefde heerst. Hieraan ontkomt ook de Kerk, als organisatie niet. Er is, bovendien, in de regeling gezocht naar wegen, waarlangs de oudere predikant niet zonder meer wordt uitgeschakeld. Intussen - het heeft geen zin dat ik tracht de beslissing tegenover u te rechtvaardigen. Gij hebt uw oordeel gevormd en gefundeerd, waarschijnlijk vaster en dieper dan ik het mijne. Maar ik heb, als synodelid, te rekenen met wat in de werkelijkheid van het kerkelijk samenstel mogelijk is en met de samenhang van dit wetten-complex met het geheel van ons kerkelijk bestel. En ik zou het betreuren als het vele goede, dat, door veler samenwerking, thans binnen ons bereik wordt gebracht, zou worden afgewezen ter wille van hetgeen daarin, terecht en te onrecht, bezwaren ontmoet. Ik geloof ook niet, dat de reorganisatie der kerk door de aanneming van dit complex zal worden geschaad. Veeleer durf ik hopen, dat, als allerlei, en daaronder oud zeer, is opgeruimd, er tijd en krachten vrijkomen om zich te bezinnen over wat de reorganisatie eigenlijk is en wil. Ik hoop, dat deze brief niet te veel gevoeligheden bij u opwekt. Dat het tegendeel de bedoeling is van de schrijver, wilt gij geloven van uw zeer dw.

W.J. Aalders.

(AN)

Noten

  1. 1

    W.J. Aalders, zie brief nr. 348 (26.5.1925), n. 1.↩

  2. 2

    Zie brief nr. 679 (25.9.1941).↩

  3. 3

    Geuit in een onbekende brief. W.J. Aalders was niet van dezelfde overtuiging als Haitjema en ON. Hij stelde zich in de vergadering van 29.7.1941 achter de conclusie van het ‘Rapport over de consideratiën ...’, zag niet het nut van buitengewone Classicale Vergaderingen, meende dat uitstel de vorige Synode zou ‘desavoueren’ en dat het te betreuren was dat de Kerk het tempo van de Synode niet kon volgen (Hand. Syn. 1941, 248).↩

  4. 4

    In de zitting van 1.10.1941 ging hij niet mee met de ‘diepgaande kerkrechtelijke en theologische critiek op de predikantsplaats-figuur’ (Hand. Syn. 1941, 396): ‘Het Reglement ... voert deze figuur ... niet als iets nieuws en domineerends in, maar gebruikt haar als een vorm voor de positie van den predikant t.a.v. zijne gemeente in bepaalde opzichten. De Gemeente is de hoofdzaak. Aan haar beantwoordt de predikantsplaats. Beide staan in correlatieve verhouding. Geen Gemeente heeft zin zonder predikantsplaats, geen predikantsplaats zonder Gemeente. En beide staan in betrekking tot de Kerk in haar geheel en de organen van deze, de hoogere Besturen, hebben er mede te doen. Dit is reeds nu het geval.’ Aalders achtte het gewenst de zaak nu tot een einde te brengen en te onderwerpen aan de eindstemming van de Provinciale Kerkbesturen.↩

  5. 5

    Predikanten werden verplicht tot emeritaat op 65-jarige leeftijd. Daarnaast werd de regel van kracht dat gedurende de jaren 1942- 1951 degenen die nog geen 40 dienstjaren hadden het recht kregen tot het einde van hun 40e dienstjaar aan te blijven, zolang zij de leeftijd van 70 jaar nog niet hadden bereikt. Zie Memorie van Antwoord, Hand. Syn. 1941, 477 en Art. IX van de Additioneele artikelen bij het Reglement op de predikantsplaatsen, Hand. Syn. 1941, 652v. Deze nieuwe wetten maakten dat ON eind 1943 met verplicht emeritaat moest gaan.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 679. Th.L. Haitjema aan O. Noordmans7. Laren681. H. Kraemer aan O. Noordmans →