689. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Amsterdam, 13 maart 1942
Zeer vereerde dr. Noordmans,
Met de moed der wanhoop schrijf ik maar weer eens - u bent bijna niet meer in beweging te brengen. Als u misschien niet dadelijk begrijpt, waarop ik doel, laat mij dan zeggen, op gevaar af, dat ‘de moed der wanhoop’ een weinig ridicuul gaat worden, dat ik nog eens bij u wil aandringen op de uitgave van uw verspreide artikelen. We hebben daar indertijd zo heel veel van geleerd en achten ze van een gehalte, te hoog om door verstrooiing, menselijkerwijs gesproken, gedoemd te mogen worden zoek te raken in het wereldgedaver en de stortvloed van half-rijpe stichtelijkheden, die nu dreigt los te breken uit de beklemming van menigerlei bezetting. Wat moet ik verder zeggen? Ontbreekt mij werkelijk alle overtuigingskracht, alle flair een mensenkind over te halen, zelfs tot een daad, die niet de minste zelfverloochening kosten zal: - of is dat juist mijn vergissing: zou het u wel iets kosten? Vergeef me mijn ongeduld, met vriendelijke groet, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)