695. Ph. Kohnstamm1 aan O. Noordmans
Ermelo, 23 juni 1942
Hooggeachte dr. Noordmans!
Dat ik u nog niet dank gezegd heb voor uw vriendelijke beoordeling2 van mijn boekje,3 noch iets geantwoord heb op uw ‘opmerkingen en vragen’, is allerminst er uit voortgevloeid, dat de inhoud van uw brief niet veel aandacht bij mij zou hebben gevonden. Eerder is het tegendeel waar, dat juist die aandacht van een snelle reactie weerhield. Zoals bijna steeds, wanneer ik opmerkingen van u over werk van mij onder ogen kreeg, toont gij ook ditmaal een scherp oog te hebben voor wat mij na aan ’t hart ligt. Dat viel mij reeds aanstonds op bij de verwijzing op de eerste pagina van uw brief naar mijn p. 41 en wat daar over ‘de vrijheid als kruis’4 wordt gezegd. Juist in deze tijd is mij dat smartelijker, dan ik ooit vroeger als mogelijk verondersteld had, bittere werkelijkheid geworden. En in ’t bijzonder heden, nu ik bij gebreke van reisvergunning slechts schriftelijk in overleg kan treden met onze vrienden elders over de vraag wat gebeuren moet, wanneer de zich vermenigvuldigende geruchten waarheid mochten blijken te bevatten, dat men ons, afstammelingen van het Oude Volk, binnenkort de gang naar kerk en avondmaal onmogelijk wil maken. Ligt hier niet het punt, waar wij het voorbeeld van Hand. 5:295 moeten volgen, of blijft dat toch nog een voorbarig grijpen naar een gewild en dus ongehoorzaam ‘martelaarschap’? Dit soort van gewetensvragen behoort voor mij tot het benauwendste van deze benauwde tijd. Veel heb ik ook gedacht over wat gij zegt over Luthers de servo arbitrio en de nauwe verbinding die gij tussen Luther en Paulus ziet.6 Maar in beide kan ik u toch niet volgen. Wanneer inderdaad uw exegese aanvaardbaar ware, dat Luther niet anders in de strijd met Erasmus op het oog had, dan het: ‘Uw wil niet mijn wil geschiede’, zou er inderdaad niet de minste moeilijkheid zijn. Dat ware juist de gehoorzaamheids-relatie, die ik op p. 13 volstrekt en ten enen male aanvaard. Maar ik heb die daar - en moest dat doen bij de bespreking van Luthers tekst - gesteld tegenover de beneden-menselijke verhouding van een niet naar Gods beeld geschapen creatuur tot de Schepper. Dat Luthers geloof daarmede gekenmerkt zou worden, beweer ik natuurlijk niet, maar het betreurenswaardige ligt er dunkt me in, dat zijn theologie zo onvast is, dat hij de onderscheiding niet weet vast te houden. Daarom kan ik mij toch ook niet neerleggen bij uw bezwaar om begrippen van uit andere gebieden van ons denken, hetzij wetenschappelijk of voorwetenschappelijk ook in de theologie te gebruiken. In zijn consequentie zou dit moeten leiden tot een scheiding tussen Bijbel en theologie, terwijl ook gij toch alleen een spanning daartussen wilt. Maar daardoor kan ik ook niet meegaan met uw nauwe bijeenvoeging, ja bijna vereenzelviging van Luther met Paulus. Hoe meer ik van en over Luther lees, hoe dieper voor mij het verschil tussen beiden wordt. Tegenover Paulus’ alzijdigheid en zijn altijd weer zien ook van de andere zijde, zijn bereidheid altijd weer te corrigeren en te herzien, als hij zich te uitsluitend heeft uitgelaten - iets wat ik, zij het dan in heel andere, wetenschappelijk-theologische wijze ook bij Calvijn meen te vinden - treft mij telkens weer hoe Luther gehele boeken van het Nieuwe Testament vrijwel gesloten laat, en hoe angstwekkend weinig hij beseft, dat de God van Wet en Profeten de Vader is van Jezus Christus. Heel centraal is daarbij voor mij zijn voorbijgaan aan het Koninkrijk Gods en zijn komst - en in verband daarmede van het synoptisch getuigenis - in vergelijking met de vraag: ‘wie bekomme ich einen gnädigen Gott?’ Natuurlijk zullen wij het over deze accentueringen niet eens worden. Uw door mij zo gewaardeerde artikel over De Heilige lag in dezelfde richting. Toch zou ik nog willen vragen: hebt gij de geschriften van de laatste tijd hierover gelezen? Ik denk aan Riemers’7 juist uitgekomen dissertatie: Prolegomena voor een lutherse paedagogiek, en de daarin besproken boeken van Harald Diem Luthers Lehre von den zwei Reichen8 en Franz Lau Äusserliche Ordnung en weltlich Ding in Luthers Theologie.9 Deze zeker niet van antilutherse zijde geschreven boeken tonen m.i. wel heel duidelijk welke ontzaglijke gevaren er liggen in deze tot het uiterste doorgevoerde soteriologische eenzijdigheid. En juist in deze tijd vind ik dit in hoge mate benauwend. Naar de mens gesproken ziet het er immers uit, alsof wij door de consequenties van die houding thans staan voor de ruïne van Luthers kerk. Moge God in Zijn genade en ondoorgrondelijke wijsheid deze vrees beschamen! Deze gedachten moesten mij van ’t hart naar aanleiding van uw brief. Wil ze nemen zoals ze bedoeld zijn: een trachten met u, in de verbondenheid van Matth. 18:20,10 de grote niet en nooit uit te denken centrale vragen van ons geloof te zien juist ook in het licht van deze tijd. Ik hoop, dat het u en de uwen naar omstandigheden goed gaat. En ik herhaal mijn dank voor Uw brief en de aandacht, die er uit spreekt voor mijn persoon en werk. Als steeds de uwe,
Ph. Kohnstamm.
(AN)