Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 7. Laren

Weergave

722. O. Noordmans aan P. Scholten1

Laren (G.), 25 april 1944

Hooggeachte prof. Scholten,

Nog steeds bleef ik het antwoord schuldig op uw schrijven van 14 april jl. waarbij u mij een afdruk toezond van het Ontwerp-Regeling voor een Generale Synode.2 Ik hoop dat u dit niet zult opvatten als een blijk van mindere belangstelling. Integendeel, ik heb met grote aandacht van een en ander kennis genomen. Ook dank ik u zeer voor de gelegenheid die u mij gaf om er vroegtijdig inzage van te nemen. Het uitstel van mijn antwoord hangt samen met de afwikkeling van mijn pastoraat. Ik ben sedert 30 december hulpprediker. Deze functie loopt 30 juni af. Mijn opvolger3⚑ heeft reeds aangenomen en krijgt recht op de pastorie. Wij hebben nog geen uitzicht op een andere woning en dit geeft allerlei zorgen en zoeken. Wij zullen misschien de pastorie moeten delen met de jonge dominee. Hij is wel getrouwd, maar ze hebben nog geen kinderen. Zo ben ik ook geen kerkeraadslid meer. Ik woon de classicale vergaderingen niet bij. Mogelijkheid om te publiceren is er nauwelijks. Dit aftreden valt mij niet zo heel gemakkelijk en maakt het laatste halfjaar van mijn ambtsbediening, waarin mijn ambt toch al reeds gereduceerd was, tot het moeilijkste van de hele tijd en ook wel van mijn hele leven. Ik hoop er door heen te komen, maar het heeft mij wel nedergebogen en mijn gezondheid heeft een tijd lang gevaar gelopen. Ik heb de vorige herfst aan de Synode gevraagd ons, in geval van woningnood, het recht te geven aan te blijven.4 De Synode heeft dit niet willen doen en heeft een herbenoeming in de handen van de kerkeraad gelaten. Dat wil in dit geval zeggen de kerkeraad zonder de predikant. Deze kerkeraadsleden, boeren, die men bijna een generatie had getrouwd, gedoopt, begraven, moesten beslissen of men zou aanblijven of niet. De ambtelijke verhouding degradeerde in die van een ambtenaar tot zijn bestuur. Dit bestuur maakte in vele gevallen, ook in mijn geval, met verwaarlozing van piëteit, gebruik van zijn macht. En zo viel de steun van het ambt, die bij ons werk onontbeerlijk is, weg. U weet, hoezeer ik mij in de reorganisatie-beweging daartegen heb verzet. Mijn laatste ervaring heeft mij ten zeerste in mijn opvattingen op dit punt bevestigd. Maar genoeg van deze persoonlijke dingen, die toch ook weer meer zijn dan dat. Wat het ontwerp-regeling betreft, daarvan valt qua regeling veel goeds te zeggen. Het voorziet in de impasses van een overgang. Maar alle cauties, die wij in 1939 hadden aangebracht, blijven nu achterwege. Tegenover de mogelijkheid van een herhaling van 18865 heb ik steeds gemeend, dat daarvoor gewaakt moest worden. De actie-Kraemer6 is nu de enige cautie. Deze is inderdaad tegen een herhaling van 1886 zeer sterk gericht. De vrijzinnigen zullen waarschijnlijk meer vertrouwen stellen in deze levende zekerheidsstelling dan in de reglementaire van 1938. Vroeger was een grote synode7 voor hen steeds een schrikbeeld. Zij waren bang voor het losgooien van de kerk. Er is zeker verwantschap tussen dit ontwerp en onze voorstellen van 1938; maar alleen in de bedoeling van de enkelingen onder de opstellers van het nu aan de orde zijnde. De opzet is om te beginnen presbyteriaal. Maar dit kan evengoed dynamisch worden opgevat als de belijdenis op blz. 9.8 Eigenlijk nog veel eerder, omdat de kerkorde, ook volgens dit ontwerp, minder direct uit de Schrift is afgeleid dan de belijdenis. De werkmethode in Gemeenteopbouw is reeds episcopaal en niet presbyteriaal. Een kader wordt gevormd. Boodschappen worden aan vergaderingen voorgelezen, die dan weer kunnen uiteengaan. Kraemer vroeg op de Utrechtse predikantenvergadering9 als kenmerken ‘statesmanship’ en daadkracht. Nu is ‘statemanship’ in die zin wel het laatste wat een kerk is toe te wensen. Rome heeft zich misgaan aan ‘statesmanship’. Dat hangt samen met een dynamische opvatting van de leer. Een dynamische leer is de keerzijde van een episcopale kerkorde. Als derde hoort daarbij een bewogen liturgie. Liturgie is dynamische leer. De Engelse kerk is steeds royaal in de leer, maar zuinig met de liturgie geweest. Bij de reformatie heeft de leer een groot stuk van de kerkregering overgenomen. De presbyteriale kerken werden geregeerd door de leer. Daardoor kwam de regering van Christus haar veel nader. De leer regeerde haar veel. De leer regeerde hen ook in hun huizen en niet alleen in de kerken. De roomsen erkennen nu, dat daarin een voordeel steekt. Zij geven de leken de bijbel. De pastoor kan zoek raken, de bijbel minder gemakkelijk. Tussen bijbel en leer hebben de oude protestanten nooit een strenge scheiding gemaakt. Maar tegenover de dynamische kerkregering van Rome, waarvoor Newman later de theorie heeft gegeven, verschijnen toch bijbel en leer bij eerste aanblik als statisch. Tegenover de papale evoluties en ontaardingen stelt de presbyteriale huisman zijn: er staat geschreven. Pas daarna, heel voorzichtig, kan van dynamiek in de leer gesproken worden. Het eerste wat aan de leer opvalt, is de statiek. Door de leer heeft de protestant veel meer huiselijke en innerlijke godsdienst dan de roomse. Volharden in de leer der apostelen is de vorm der gemeente. Deze brede en vaste basis van gemeenteleven moeten wij niet inruilen tegen een kerkelijke staatkunde van episcopale aard. Voor de laatste zijn tijdelijk de voorwaarden aanwezig. Er is geen publiciteit. Maar daarvan mag geen misbruik worden gemaakt. Dat zal, naar wij hopen, niet zo blijven. Met hartelijke groet, ook aan mevrouw, uw dw.

O. Noordmans.

(APS)

Noten

  1. 1

    P. Scholten, zie brief nr. 410 (5.3.1932), n. 2.↩

  2. 2

    De zgn. ‘Werkorde’ die op 26.4.1944 in eerste lezing met algemene stemmen door de synode werd aangenomen; zie voor de verdere gegevens brief nr. 692 (12.5.1942), n. 2.↩

  3. 3

    A.J. de Bie (1912-1945), herv. pred. te Vrouwenpolder, kwam kennismaken in Laren op 19 april 1944. Door het overlijden van ON’s oudste zoon werd zijn overkomst uitgesteld. Na de slag om Arnhem werd de pastorie door de Duitsers gevorderd. Zie verder brief nr. 740 (30.5.1945).↩

  4. 4

    Zie brief nr. 711 (24.7.1943).↩

  5. 5

    De Doleantie.↩

  6. 6

    ON bedoelt de beweging, die Kraemer als voorzitter van Gemeenteopbouw op gang heeft gebracht. Vgl. VW 5, 519v.↩

  7. 7

    De grote synode, zie de brieven nr. 427 (23.6.1933), n. 4, nr. 440 (4.10.1933), n. 9 en nr. 635 (12.7.1939), n. 6.↩

  8. 8

    Het kan zijn dat Art. 1 van de Werkorde ‘Van de Generale Synode’ is bedoeld. Zie de Reglementen der Nederlandsche Hervormde Kerk, ’s-Gravenhage 1948 80, 49: ‘De Nederlandsche Hervormde Kerk komt in Generale Synode bijeen. Deze Synode heeft, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op den bodem der belijdenisgeschriften, inzonderheid tot taak de Kerkorde voor te bereiden en vast te stellen; te getuigen, met de Kerk in al haar geledingen, van het Evangelie van Jezus Christus tegenover overheid en volk; leiding en vorm te geven aan den arbeid, waartoe de Kerk wordt geroepen op alle terreinen des levens; gehoor te geven aan de roeping der Kerk inzake de eenheid der Christenheid. Voorts zijn haar opgedragen de werkzaamheden genoemd in invoeringsbepaling no. 9.’↩

  9. 9

    Kraemer hield op de jaarlijkse predikantenvergadering te Utrecht een lezing over ‘De Hervormde Kerk op den tweesprong.’ ON was daar aanwezig en ging in discussie met Kraemer over diens hier genoemde uitlatingen van Kraemer; zie verder brief nr. 758 (10.3.1946).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 721. O. Noordmans aan W.A. Zeydner7. Laren723. H.M.J. Wagenaar aan O. Noordmans →