Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 7. Laren

Weergave

737. K.H. Miskotte aan O. Noordmans

Amsterdam, 26 maart 1945

Zeer vereerde Noordmans,

Nu moet ik u schrijven over Jan Koopmans. Hem is iets overkomen: hij zou het niet goed vinden, wanneer u er geen kennis van droeg. U was zijn geestelijke vader; hij had u lief en volgde uw spoor van denken. Jan - het is niet te verwerken en blijft voortdurend bitter - Jan is zaterdagavond 24 maart ’s avonds om half tien overleden.1 Wij hadden tot de week aan deze laatste voorafgaande nog hoop op zijn behoud voor de zijnen, voor ons, voor de gemeente. De omstandigheden zijn zo schrijnend mogelijk. U moet weten: iedere dag worden hier tientallen gefusilleerd, als represaille voor wat hier of in verre uithoeken van ons vaderland voorvalt: de gevangenissen worden leeggehaald voor dat doel. Soms trad het peloton aan op de binnenplaats, soms op de Amsteldijk bij de Ringdijk, op de grens van de stad; ditmaal moest het weer eens in het centrum zijn, op een spitsuur, n.l. tegen 9 uur ’s morgens om de voorbijgangers te kunnen dwingen om te kijken en de terror tot in de zielen te doen doorwerken.2 Op maandagmorgen 12 maart gebeurde het dat 42 jonge mensen3 in het Weteringplantsoen werden gevoerd, van de wagen afgeladen en (ditmaal) voor de mitrailleur gesteld. Jan ‘logeerde’ al sinds van ’t zomer in een huis op de Stadhouderskade.4 Ontdaan, maar toch getrokken om de gruwel te zien, stond hij met anderen voor het venster twee hoog; een kogel vloog over het water en de straat en sloeg op de tweede verdieping door de ruit en trof hem in het linkeroog, de kogel ging door het cerebrum en belandde boven de oogholte. De eerste vier dagen scheen het goed te gaan, de hersenen hadden weinig geleden, naar het scheen, de oogzenuw was niet geraakt; het verwijderen van de kogel werd uitgesteld, om af te wachten of door de oog- en neus-wond misschien complicaties zouden optreden. Die zijn gekomen; men verborg het ons lang, maar ’t was hersenvliesontsteking. De nieuwste serums en antidota zijn daar (in de Neurologische kliniek van het Wilhemina Gasthuis) toegepast. Wij hebben gebeden en gestreden. Er was ook zo veel te zorgen: zijn vrouw lag te Breukelen in de lange nakuur van haar ruggewervel-kwaal,5 de kinderen waren op vier verschillende plaatsen verspreid, vader en moeder Koopmans in Hilversum, hoe het te bereiken? hoe hen te vervoeren? en zou het goed gaan? maar ’t kon ook te laat zijn! Onze lieve vriend heeft er niet zo heel veel van beseft, hij was de vijfde dag al volkomen verward, met enkele heldere ogenblikken, waarvan z’n ouders nog veel, z’n vrouw weinig heeft kunnen buitmaken. Mevrouw Koopmans is maandag 19 gehaald en lag in hetzelfde ziekenhuis,6 werd per brancard driemaal per dag naast hem gelegd en een of tweemaal heeft hij haar herkend. Uit zijn ‘wartaal’ schoten de kristallen van losse woorden; zijn godsvrucht zat zo diep en zijn spreken ging zo recht op ons aan, meer nog dan vroeger, omdat remmen waren weggevallen. ‘Zuster’, zei hij, ‘het was niet de kogel, maar God heeft mij geroepen en ik ben zo blij. Hij heeft het al gezegd en zal het eenmaal nog heel anders zeggen: Jan Koopmans, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.’7 - en dan gleed z’n verstand weer in het donker. ‘Heiko’, zei hij, ‘naast God is er niets schoners op de aarde dan de liefde van een christen voor een christen, ben je dat met me eens, mannetje?’ - ‘Strijk eens over m’n hoofd, vader, want dat is de natuurlijke weg van een vaderhand, de weg van de kogel, van hier naar daar, door mijn hoofd, dat is niet de natuurlijke weg.’ - Dan twistte hij weer in het Duits met Kommandantur en soldaten - of liet zich gaan in niet te volgen gedachten over zijn wijkwerk. O! ik weet wel, wij hier in Amsterdam weten allemaal wel, dat die 42 jongens, die daar vielen en slecht geschoten waren, zodat de meesten met de revolver door een nekschot moesten worden ‘nachgeholfen’, ook tot Gods gekwelde schepselen behoorden en zonen waren van vaders, veel-miskend en/of veel-bemind - maar als we voor Jan Koopmans in de bres stonden, dan was het omdat we zo heel veel persoonlijk van hem hielden en tegelijk niet zonder grond mochten denken dat de gemeente en de hele kerk deze tot tucht gebracht overgevoelige geest, deze ingetogen, zo wij meenden, voor na de oorlog opgespaarde kracht node zouden kunnen missen. Geen redelijke overweging en geen vrome dooddoener kan ons afbrengen van het besef, dat wij een onherstelbaar verlies hebben geleden. Na Eijkman8 nu ook deze, op wie wij rekenden - och hij zou in mei pas 40 worden.

Welk een kluwen van raadselen! en hoe overvloedig komt de stilte - vanwaar? - de bitterzoet stilte, als we dezer dagen in elk vrij ogenblik bladeren in zijn keurig, als in grafische kunst gesneden, geëtst werk en daar, tot onze verbazing, overal vinden een zo pril en rijp verlangen naar de nieuwe ontmoeting door de dood heen met zijn Heiland.9 In de avonden van deze vreselijke winter,10 waarin niemand van ons heeft kunnen studeren, omdat we allen in een kamer om een klein vuur schuilden en voor - en met - elkaar moesten zijn in het waarlijk apocalyptisch leed van schier iedere dag, nam hij zich voor en begon de eerste omtrekken in zijn geest te ontwerpen van een tractaat, dat onmiddellijk na de oorlog verschijnen zou en dat heten moest: Ars moriendi.11 Vooral in de Postilles12 vind ik die passages, waar hij met een ingehouden stem, van weemoed en verwachting vol, tot een innerlijk afscheid maant van deze wereld en het ligt mij zo ver; ik ben een soort chiliast, maar het dringt nu tot mij door, dieper dan vroeger. Hij was mij zo verwant: hij was zo volstrekt mijn meerdere. Beide waren wij ‘lui’, uit wanhoop over kerk en wereld, zoals we die ondergingen; maar hij hervatte zich, hij vond concentratie, hij kreeg stijl, hij bond zich met een exclusieve liefde aan de gereformeerde belijdenis. Een ding deed hij: de Schrift verklaren met de Schrift, onder een nieuwe spanning, die enigzins weer gelijken ging op de oer-christelijke, waarvan Overbeck13 zegt, dat de theologen het meest hebben bijgedragen om haar te verlaten en om die verlating te verbloemen, - En dat hij zo kon zijn, hij had het aan u te danken; dat heeft hij meerdere malen gezegd en dat is als met handen te tasten in zijn geschriften.14 Ik heb hem niet genoeg laten merken, hoeveel ik van hem houd. In welk verband ik hem ook aantrof, altijd had hij de aura om zich van de meester, die hij niet geworden is; gelijk hij zelf zei door zijn ‘beunhazerij’, zoals ik nu vermoeden ga, door een rem, een voorbehoud, een afgetrokken-worden, een heengeleid-zijn naar andere werelden met andere maat. In haast schrijf ik u dit, omdat er morgen iemand van hier naar Twello fietst, die deze brief kan meenemen.15 Vergeef me, dat ik ook over mijzelf sprak, maar het gemis is zo bitter en de vragen zijn zovele en ik wilde wel, dat ik er meer licht in had. Mevrouw Koopmans is wonderbaar gesterkt; hij ging verleden zomer en deze winter in tij en ontij elke maandag naar Breukelen;16 dan spraken en baden zij samen, en, waar de tijd zo dreigend was, hebben zij samen ook veel gesproken over de mogelijkheid weggerukt te worden en over wat er dan gebeuren moest, als hij of zij getroffen werd. Haar vrede komt nu rechtstreeks van God. Ik heb de indruk, dat het tragische (of mag ik dat niet zeggen?) van deze lang-gespannen dagen, haar lichamelijk geen ingrijpend kwaad heeft gedaan. Er zijn - omdat ze hier toch was - foto’s genomen van de rug; en die vielen mee; als de doctoren dat nu maar niet hebben gedaan en gezegd om haar af te leiden! Wij zijn doende een fonds te stichten, ter aanvulling van het kleine weduwenpensioen. O, als ik zijn oudste, achterlijk kind zie zitten - en lachen, hoe krampt mij het hart tezamen. Men wordt wee en misselijk van de verborgenheid. Wie zal hier een woord spreken te rechter tijd en naar de mening des Geestes? Elke dag ga ik naar haar toe, zo lang ze daar nog ligt - maar wat zou er van mij uitgaan? De begrafenis is donderdag 19 maart op Zorgvlied. Er is geen hout voor kisten; bij honderden liggen de doden in de Zuiderkerk (bezit van de burgerlijke gemeente) te wachten; er zijn geen paarden! er is geen wind voor het orgel in de aula van het kerkhof, maar voor Jan hebben we hout aangeboden gekregen door een verder-staand gemeentelid. En er zal nog iets van een uitvaart kunnen zijn, (Tromp17 zal spreken, die hem als student gekend heeft en in de pastorie te Lemele ontvangen), zij het dan dat ons verlangen een dienst te hebben in de Noorderkerk (die hij de laatste 1⚑_ jaar tot parochiekerk had gemaakt,19 temidden van de meest uitgesproken misère-wijk, aan de rand van de Jordaan) onvervulbaar is. Zeer vereerde, stille bisschop van zovelen (ook een beetje van mij) - ik heb u dit geschreven en zou nog meer willen zeggen, maar beter is het te zwijgen. Denk aan ons! bidt voor ons! en met ons! met de meeste hoogachting, uw dw.,

K.H. Miskotte.

(AN)

Noten

  1. 1

    Zie G.W. Marchal Jan Koopmans. Dienaar tot de oogst (’s-Gravenhage 1985), 41.↩

  2. 2

    Een represaille-actie voor de moord op een SD-er in het trapportaal van een huis aan de Stadhouderskade. Vgl. Marchal, a.w., 40.↩

  3. 3

    Bij Marchal wordt het getal van 24 genoemd, a.w., 40.↩

  4. 4

    Koopmans was ondergedoken op de Stadhouderskade, aan de overzijde van het Weteringplantsoen. Zie Marchal, a.w., 40.↩

  5. 5

    Mw. C.K. Koopmans-Breen verbleef bij haar moeder in Breukelen.↩

  6. 6

    Zij werd per ambulance naar Amsterdam gebracht.↩

  7. 7

    Vgl. Jes. 43:1. Marchal (a.w., 41) geeft het citaat in deze bewoordingen: ‘Het is niet de kogel, maar ik ben door God geroepen, opdat Jan Koopmans zou ingaan in de vreugde zijns Heren en zijn Heer en Heiland zal zien, aangezicht tot aangezicht.’ Marchal (a.w., 372) tekent in noot 67 hierbij aan: ‘Deze woorden werden eerbiedig, met grote aarzeling, doorgegeven in de rouwdienst.’↩

  8. 8

    J. Eijkman, zie brief nr. 479 (18.12.1934), n. 17.↩

  9. 9

    Dit aspect werd ook benadrukt door D. Tromp tijdens de rouwdienst op 29.3.1945 op Zorgvlied te Amsterdam: ‘Hij toefde met vreugde in het land der kinderen Gods op aarde. Maar toch... de dood stond niet buiten geloof en gebed. En wie zijn Postillen (zie n. 11) naleest, ontmoet het woord ‘dood’ steeds weer. Een jong leven dat gericht was op de eeuwige vreugde, de eeuwige vervulling; het Rijk en zijn volheid en zijn voleinding. En daardoor ruimte ontving om te leven en te werken; om te strijden en te wachten. Hij leefde niet naar, maar uit de komst van Christus’, zie D. Tromp in: In memoriam Dr. J. Koopmans (Amsterdam Herfst 1945), 3; Marchal, a.w., 41v. Vgl. K.H. Miskotte in: Laatste Postillen (Nijkerk 1947), 9v.↩

  10. 10

    De zgn. hongerwinter van 1944/45.↩

  11. 11

    K.H. Miskotte schrijft in Laatste Postille (10): ‘De laatste maanden in de hongerwinter schijnt hij in vrije ogenblikken op donkere avonden het voornemen overwogen te hebben een ars moriendi (de kunst van het sterven) te schrijven (...)’.↩

  12. 12

    J. Koopmans Kleine Postille (met een voorwoord van S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel) (Nijkerk 1938); Nieuwe Postille (Nijkerk 1940); Laatste Postille (uit het nagelaten werk gekozen door dr. K.H. Miskotte (Nijkerk 1947); vgl. n 10.↩

  13. 13

    F. Overbeck (1837-1905), Zwitsers theoloog, hoogleraar NT en patristiek te Bazel.↩

  14. 14

    Koopmans maakte kennis met ON in de tijd dat hij werkzaam was voor de NCSV. Dit was ‘een ontmoeting die hem levenslang gestempeld heeft’, Marchal, a.w., 27v.↩

  15. 15

    Vgl. brief nr. 738 (27.03.1945).↩

  16. 16

    Wiekje Koopmans, zie Marchal, a.w., 19 en 27.↩

  17. 17

    D. Tromp, zie brief nr. 393 (feb. 1931), n. 1.↩

  18. 18

    Vgl. n. 9.⚑

  19. 19

    In 1941 was Koopmans beroepen voor de Elthetokerk in de Indische buurt. Na het vertrek van G. Oorthuys verhuisde Koopmans in juli 1943 naar de Noorderkerk, zie Marchal, a.w., 36.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 736. J.H.C. Kamsteeg aan O. Noordmans7. Laren738. Mw. A. Tromp - de Jong aan O. Noordmans →