747. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Laren (G.), 20 augustus 1945
Amice frater,
Hartelijk gelukgewenst met je benoeming tot hoogleraar te Leiden.1 Dat dit schrijven niet ‘stante pede’ kwam, vindt zijn oorzaak in het feit, dat ik ruim een week lang ongesteld was. Met des te meer nadruk kom ik je nu verzekeren, dat ik mij in de keuze van de Synode hartelijk verblijd. Je had en hebt recht op een professoraat en de vervulling daarvan zal niet boven je krachten gaan. Integendeel, je zult ‘facile’ de colleges kunnen geven en je zult daarbij boven je werk blijven staan. Het zal overigens een geweldige taak zijn, die op je schouders komt te rusten en van de vervulling daarvan in de volle zin des woords, in onderscheiding van het traditionele ‘college-geven’ geldt dit ‘facile’ zeker niet. Hoe zal het Evangelie gepredikt moeten worden, zodat wie oren heeft ook hore? Gij zijt de opvolger van Korff,2 maar de intellectuele aanpassing, die deze zocht, behoort reeds tot een vroeger stadium. Het is een nieuw professoraat, dat je wordt opgedragen en waarvan de eisen ontleend worden aan de voorwaarden, die vroeger nimmer aanwezig waren. Moge God je kracht en wijsheid verlenen om deze taak op je te nemen. Deze dagen, terwijl ik te bed lag, kwam de heer Nieman3 uit Zeist mij bezoeken, in verband met de woningkwestie. Wij hebben de zaak met hem besproken. Ik dank je zeer voor je voortvarendheid in dezen. Intussen blijft het zeer en zeer moeilijk. Een paar kamers zijn niet voldoende. En in verband met de mogelijkheid om te Lunteren deze winter onder redelijke omstandigheden onze kwartieren op te slaan, moeten wij nu wel besluiten dit als een overgangstoestand te aanvaarden. Tegen het volgend voorjaar zou er dan aan definitieve vestiging te denken zijn. Deze winter zal nog wel hard zijn en mijn vrouw zou, zonder hulp, niet in iedere situatie een dragelijke taak hebben. Er moet niet alleen zit- en slaapgelegenheid zijn + studeergelegenheid, maar ook bergruimte voor meubels, enz. Wij wachten nog weer een schrijven van de heer Nieman en zullen hem daarop berichten. Intussen gaat langzaam, te langzaam, iets van het gewone leven terugkeren. Maar toch houden de dingen iets vreemds. Zij zijn gedoopt, ondergedompeld in de dood en wij hebben moeite ze te herkennen. De natuurwetenschap heeft de schepping begluurd en dat heeft al aan 300.000 mensen het leven gekost.4 Als wij dat gelezen hebben, wordt er een kopje thee gedronken. Het zal moeilijk zijn dogmatiek te doceren. Met hartelijke groet, tt.
O. Noordmans.
(AKHM)