Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 8. Lunteren

Weergave

773. O. Noordmans aan mr. F.L.S.F. Baron van Tuyll van Serooskerken1

Lunteren, 13 december 1946

Zeer geachte Heer,

In verband met uw convocatie voor de vergadering van de werkgroep ‘Kerk en Overheid’2 en een daarin vervatte herinnering, deel ik u mede, dat men m.i. op de vraag naar de roeping der overheid voorlopig van de zijde der kerk slechts incidenteel kan ingaan.3 De kwestie is door de oorlog opnieuw gesteld en voor verschillende probleemstellingen is beroep op precedenten niet mogelijk. Voor een nieuw artikel 36 is de tijd nog niet rijp. De kerk heeft enerzijds aandacht te schenken aan hedendaagse gewetensconflicten en anderzijds te vragen naar de eisen die het gemeentelijk leven meebrengt voor het burgerlijke terrein. De Lutherse scheiding tussen kerk en staat is reeds geoordeeld. Wat de zwarte handel4 betreft, lijkt mij plaatselijke samenwerking tussen burgerlijke en kerkelijke gemeente een mogelijkheid. Met de meeste hoogachting,

O. Noordmans.

(ANHK)

Noten

  1. 1

    F.L.S.F. Baron van Tuyll van Serooskerken (1911-1989), jurist, burgemeester van Domburg 1937-1941, tijdens de oorlog lid van verscheidene synodale commissies, secretaris van de Werkgroep Kerk en Overheid en gedeputeerde van de NHK. bij de overheid 1945-1950, secretaris van het NBG. 1950-1976.↩

  2. 2

    ON was van 22.7.1946 tot 19.6.1950 lid van de hervormde werkgroep ‘Kerk en Overheid’. ON verwijst hier naar de vergadering van 23.12.1946. Merkwaardigerwijs zijn de notulen van deze vergadering niet terug te vinden in het notulenboek van de Werkgroep.↩

  3. 3

    In de notulen van de junivergadering van dit jaar wordt de ontvangst gemeld van een stuk van ds. S.F. van Veenen, predikant te Leimuiden, over ‘De roeping der Overheid’. Van Ruler zal zich met dit stuk bezighouden. In de vergadering van 11.9.1946 is sprake van een commissie Van Veenen die dit vraagstuk bespreekt. Hierbij is vooral het omstreden artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over het ‘ambt van de overheid’ in het geding: ‘Een nieuwe bezinning op art. 36 van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis is dringend noodzakelijk. Na uitvoerige discussie wordt besloten dat Dr. Oorthuys op de e.v. vergadering van de Commissie Van Veenen, Ds. S.F. van Veenen van Leimuiden zal verzoeken de Novembervergadering van de Werkgroep Kerk en Overheid bij te wonen en dan te overleggen hoe tot een goede samenwerking kan worden gekomen.’ Op 6.11.1946 is deze predikant inderdaad aanwezig. Onder punt 6 van de agenda is aan de orde: bespreking met ds. Van Veenen over roeping en ambt der Overheid. ‘Door ds. Van Veenen is een stuk opgesteld, dat rond gezonden is aan de leden der Werkgroep. De schrijver geeft hierop een mondelinge toelichting. Hij beschouwt dit stuk als een “Proeve van Onderwijzing over het ambt en de roeping der Overheid.” Het heeft gediend als Onderwijzing, zowel in eigen gemeente, als in andere gemeenten. ... Ds. Noordmans merkt op, dat bij hem de vraag is opgekomen of de behandeling, uitgaande van de Decaloog, wel juist is. Dit is een wijze van behandeling die veel voorkomt ... Wij moeten uitgaan van de 12 Artikelen. Vanuit het Koninkrijk Gods moeten de daemonische krachten, die de staat uithollen en daemonisch maken, bestreden worden. De nieuwe natuurlijke mens, de teleurgestelde mens gaat politiek bedrijven. In Rusland is de mens een fabrikaat van de Staat. Wij moeten de hele moderne situatie erin betrekken en niet alleen de Tien Geboden. Prof. Vrij: U spreekt van ethiek. Dit is toch niet alleen ethiek, maar werkelijkheid. De voorzitter [in deze vergadering was dat Van Ruler, red.] meent dat wij hier moeten spreken van profetie. Oppervlakkig gezien, lijkt het of prof. Vrij en dr. Noordmans het eens zijn, maar in wezen is dit niet zo. Volgens prof. Vrij geven de Tien Geboden te weinig en volgens Dr. Noordmans eigenlijk te veel. Spreker vraagt zich af of het zo belangrijk is dat de staat pas in de Bourgondische tijd opkomt. Prof. Vrij zegt dat hij niet hecht aan de Bourgondische staat. Echter wat ons soms een ‘staat’ toelijkt, zoals bij de Romeinen, is enkel een keizer, die het gezag wist vast te houden. Ds. Van Veenen denkt bij overheid aan mensen, die met gezag bekleed zijn. De staat is een abstractie, en stelt naar aanleiding daarvan de vraag: Wie is verantwoordelijk voor de rechtsorde? Prof. Vrij: De rechtsorde haalt U niet uit de Schrift. De voorzitter is het hiermee eens. Als U dit geschrift opstelde om daarmede tegen de daemonisering van de moderne staat te strijden, dan zou het een typisch “tijdgeschrift” worden. Dr. Noordmans merkt op, dat hij bedoelde te zeggen, dat de staat als zij aan zichzelf wordt overgelaten tot daemonie wordt. De Voorzitter: het is de taak van de kerk om zoveel als doenlijk is, het daemonisch karakter om te zetten in een ambtelijk karakter.

    Dr. Noordmans: Is dit niet te direct? Prof. Vrij: Ik heb bezwaar tegen het stuk, omdat als hier gesproken wordt van de verhouding kerk-overheid, het lijkt alsof er maar een enkel punt is waarbij zij tegenover elkaar staan, terwijl er in de werkelijkheid een overvloed van tegenstellingen is. Spreker meent dat de daemonie voor de kerk evenzeer een gevaar is. Ds. Van Veenen zegt dat prof. Kraemer dit ook als bezwaar genoemd heeft. Waar wordt de staat tastbaar? Prof. Vrij: in ons hoofd, in ons aller rechtsbewustzijn. Ds. Van Veenen vraagt wat hiervan de elementen zijn. Bovendien: alleen de overheid kun je verantwoordelijk stellen. Dr. Noordmans: Er zijn nieuwe problemen, b.v. dat van de atoombom. De verhoudingen zijn in het geweldige uitgegroeid.’ Tot zover het citaat uit de notulen van deze vergadering. De discussie was nog niet beëindigd; in het verdere van de vergadering liet Noordmans zich eveneens niet onbetuigd. Vanwege de omvang laten we het echter hierbij. Over het stuk van Van Veenen werd ook gesproken op 16.6.1947. Daar uitte men zich afkeurend over de inhoud en de wijze waarop ds. Van Veenen er mee handelde. De discussie werd als volgt besloten: ‘De vergadering is van mening, dat eerst zal moeten worden uitgemaakt, wat men precies wil met de behandeling van een onderwerp als dit. Zodra dit vaststaat zal er een studieconferentie gehouden moeten worden waarop eenvoudigheidshalve dadelijk wijziging van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis aan de orde gesteld zou kunnen worden. Want daar gaat het uiteindelijk om. Dr. Noordmans vraagt nog of wij niet te dicht bij de oorlog zitten om dit onderwerp aan te snijden. Van andere zijde wordt echter aangevoerd, dat de rust van voor 1940 evenmin het geschikte klimaat was om wijziging van artikel 36 aan de orde te stellen. Besloten wordt, dat er voor 1 October a.s. een prae-advies van de studiecommissie moet zijn samengesteld over dit onderwerp.’ Ten slotte worden er op de vergadering van 1.12.1947 mededelingen gedaan betreffende de studie van Van Veenen. Hem wordt bericht dat er uitvoerig is gesproken over zijn studie. Het doet de commissie leed, dat Van Veenen zich zo weinig van haar suggesties heeft aangetrokken en dat hij zich op eigen houtje tot de Synode heeft gericht. Ten slotte is de commissie van mening met het stuk en de modus procedendi van Ds. Van Veenen niet verder te komen, en dat zij er daarom van afziet van het stuk gebruik te maken.↩

  4. 4

    Op de vergadering van Kerk en Overheid van 6.11.1946 was ook gesproken over de kwestie van de zwarte handel. Naar aanleiding daarvan ontspon zich een discussie over maatschappelijke kwesties en de rol van de overheid daarbij. Alvorens een brief aan de minister van justitie te schrijven, wenst men eerst een kanselboodschap van de synode over de arbeidsproduktiviteit af te wachten. In de kanselboodschap, die op de eerste Adventszondag voorgelezen zou worden, zou ook de zwarte handel ter sprake komen. De leden van de werkgroep zouden tijdig een exemplaar ontvangen en hun mening daarover schriftelijk uiteenzetten.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 772. A.A. van Ruler aan O. Noordmans8. Lunteren774. W.F. Zuurdeeg aan O. Noordmans →