779. J.H. Grolle1 aan O. Noordmans
Utrecht, 31 januari 1947
Hooggeëerde Noordmans,
Uw schrijven2 was voor mij een grote verrassing en een zeer grote eer. Destemeer omdat ik na de uitgave van het boekje3 in november nog geen enkele reactie er op kreeg, noch enige recensie er van las. Ik ben blij, dat ik in uw ogen Kohlbrugge goed verstaan heb, en ik hoop dat mijn studie jonge theologen een weg wijzen kan. Zelf kwam ik hier in 1928 in Utrecht en trof daar een verlammend piëtisme aan. Ik vond toen mijn steun in Kohlbrugge. Zijn objectieve Woordtheologie was mijn enige toevlucht tegenover dit verbijsterend subjectivisme. Doch tegelijk kwam ik door Kohlbrugge boven deze al-te-menselijke tegenstellingen uit. Op een goede morgen ontwakend bleek ik een modern mens te zijn; de academische jeugd en vooral de theologische had oren naar mijn getuigenis. Er ontstond een bloeiende studentencatechisatie, waarop ik de ‘Ophelderingen’ van Kohlbrugge bij de Heidelberger4 ten grondslag legde. Maar God had nog meer verrassingen voor mij. Door de aanraking met Kohlbrugge ontdekte ik dat het hart onzer calvinistische leer ligt in de eenheid van Oud en Nieuw Testament. Uit het isoleren van het Nieuwe Testament bleken alle ketterijen te ontspringen. Dit bracht mij tot een grote belangstelling in de problemen van Israël - ongeveer op dezelfde wijze als Miskotte dat in de inleiding tot zijn dissertatie beschrijft.5 Deze belangstelling bracht mij veel verder dan Kohlbrugge zelf kwam. Meer calvinistisch opgegroeid dan hij kreeg ik oog voor het historische; dus ook voor de rol van Israël in het heilsplan Gods en voor de eschatologie (die bij Calvijn mij nog veel te spiritualistisch voorkwam). Thans mag ik als pasbenoemd secretaris van de Raad voor Kerk en Israël verder en dieper op deze vragen studeren. Langzamerhand is in het centrum van mijn theologisch denken komen staan de idee (beter: het feit) der eenheid. Kraemer heeft mij in het gijzelaarskamp aangespoord om naast dit boekje over Kohlbrugge ook een breder werk op stapel te zetten over de eenheid van Oud- en Nieuw Testament. Maar daarover nadenkend kwam ik tot een plan om als onderwerp te kiezen: Eenheid als verkondiging.6 Het fascineert mij, hoe onder deze gedachtenkoepel onze ganse prediking te omvatten valt. De eenheid Gods (tegenover een wijsgerig monotheïsme). De eenheid der verzoening in Christus (‘alles tot een vergaderen’). De eenheid der kerk (die haar ganse ‘waarheid’ uitmaakt). De eenheid van het bijbelse ‘een ding’ (dat Maria heeft uitgekozen, dat Paulus ‘doet’) tegenover de versplintering van de Joodse geest, het kreunen van de Jood, die de ‘eenheid Gods’ kwijt is omdat hij de ene weg in Christus niet gevonden heeft en met kreunen bedoel ik, onder de last der problematiek en het joodse coquetteren met de gecompliceerdheid aller dingen. Wij moeten ons wachten voor een dom vereenvoudigen van de boodschap, in een steriel, zichzelf-herhalend confessionalisme. Maar God spreekt op 100.000 verschillende manieren een ding uit. Laten wij voor dit getal 100.000 de eenheid van dit ding - Dabar - Woord niet voorbijzien. Intussen, dit werk is in schets gebleven. Maar ik denk er iedere dag over. Nu, ik heb u mijn gehele hart geopenbaard, omdat u zich zo vriendelijk tot mij hebt gewend. Zeer hoop ik, u nog eens persoonlijk over deze vragen te ontmoeten. Met broederlijke groet en hoogachting, Uw,
J.H. Grolle.
(AN)