788. O. Noordmans aan W. Banning1
Lunteren, 8 maart 1947
Waarde Banning,
Het was mij onlangs een voorrecht een viertal van Uw lessen te Driebergen te mogen bijwonen. Zij waren vol interesse voor het onderwerp en boezemden eenzelfde belangstelling aan het gehoor in. De aandacht behoefde geen moment te verslappen. Het was mij een verheuging een geleerd en geinspireerd docent in zijn element te zien. Want U is geboren docent.
De reden van dit schrijven is, behalve dat ik behoefte had U dit nog eens te zeggen, ook nog een andere. U was zo vriendelijk mij een exemplaar van Uw Vr[ijzinnig] Protestantisme op de Tweesprong2 ten geschenke te geven. Ik heb dit eerlijke en opene boekje met grote belangstelling gelezen. Ik wil nu niet op allerlei bijzonderheden ingaan, waartoe misschien later nog wel eens gelegenheid komt. ’t Is mij om een paar hoofdlijnen te doen, waarover ik graag iets wou opmerken.
Allereerst zou ik de vinger willen leggen op pagina 76, waar U Jezus Christus Gods beslissende daad noemt.3 Deze verwisseling of ruil van daad voor Woord heb ik nooit kunnen goedkeuren. Zij komt in de Ethische theologie ook geregeld voor. Kraemer maakt er ook gebruik van. Maar ik houd mijn bezwaren. De bijbel en de openbaring heten toch in de eerste plaats Woord Gods, èn in de Schrift zelve en in de kerk. Men schrijft Woord ook met een capitale letter, “daad” niet. Er is een groot verschil. Als ik Jezus Christus en de openbaring in ’t algemeen Gods daad noem, sta ik, als het op geloofsuitdrukking aankomt, er veel vrijer tegenover. Een daad moet ik interpreteren, ook in ’t gewone leven. Een woord, Gods Woord, brengt eigen uitleg mee. Het is interpretatie, uitleg. Men kan daartegen zeggen, dat de daad de persoon beter doet kennen dan een Woord. Dat men uit iemands hand zijn karakter beter kan aflezen dan uit de trekken om zijn mond. Maar dat is toch niet de hoofdlijn van ons verkeer met mensen en helemaal niet met God. De intimis non judicat ecclesia4 en het object der theologie is eigenlijk niet God, maar Gods Woord. Tegenover Hem is dit een eis van eerbied. Wanneer wij achter Gods Woord teruggaan op Gods daad en van Gods daad op Hemzelf, met verwaarlozing van het Woord-karakter der openbaring, dan lopen wij meer gevaar onszelf een God te verzinnen of “versieren”, te maken. Onze constructies, onze theologie krijgen meer ruimte en ontaarden gemakkelijker in philosophie. Het Woord is ook een daad, maar het is een geinterpreeerde daad. De zin is in het Woord veel meer expliciet dan in de daad, veel meer opzettelijk op de voorgrond gebracht. Gij als docent weet dat uit de eerste hand. Gij weet dat het van grote betekenis is, als men “er zelf bij is” - zoals ik het vaak noem - wanneer men spreekt. Maar gij zoudt toch zeer ontevreden zijn als men de zin van het door U uitgedragen Woord eenvoudigweg passeerde en die zin terugbracht op de indruk, die Uw optreden en Uw persoonlijkheid maakte. In de bijbel krijgen deze dingen nog oneindig veel groter betekenis omdat het Woord een intertrinitarische betekenis heeft De hele betekenis des H. Geestes is explicatief, neemt het uit “het Mijne” zegt Jezus. Zij stoot ook wel door naar binnen (zoals gij op pag. 96 zegt)5 maar dan als inwendig Woord, zoals de gereformeerden het noemden. De bedeling der H. Geest staat echter ook wijd open, cosmisch en kerkelijk, in de prediking. Deze laatste is de zuiverste publiciteit en staat tegenover alle geheimleer, die zich soms inkapselt in een dadenleer of gebarentaal. Daarom ben ik eerlijk en sterk overtuigd, dat wij ons niet door een soort tekstenphobie of letterphobie of woordphobie moeten laten afbrengen van de grote lijn van Oud en Nieuw Testament. De Schrift bevat voor 99% of liever voor 100% uitleg. Zij is Woord. De wet is interpretatie van Gods wil. De profeten zijn uitleg van Gods wil en wet. De Heilige Geest is de interpreet van het evangelie en Paulus de interpreet van Jezus. Waarom zouden wij onszelf beroven van het voornaamste hulpmiddel dat God ons heeft gegeven om Hem te leren kennen en waarom zouden wij de “mening des Geestes” geheel verinnerlijken terwijl God zelf - zoals de bijbel het uitdrukt - vroeg op is geweest om ons met profeten en apostelen in ’t openbaar uitdrukkelijk en met alle Woorden der Schrift te helpen. Wat een grote betekenis hebben ook “teksten” voor de gelovigen, eenvoudigen vooral, en voor eenvoudige geleerden zowel als voor geleerde eenvoudigen. Zouden wij dit gebruik moeten corrigeren door van het Woord op de daad terug te brengen? Ik heb het nooit zo kunnen zien en zo kan ik ook niet meegaan met Uw uitlating op pag. 77, dat het geloof een antwoord zou zijn op Gods daad.6 De bijbel zegt dat het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods.
Dan zou ik nog graag U een vraag stellen naar aanleiding van een andere uitlating, eveneens op pag. 76. Gij schrijft daar dat de menswording Gods zich niet alleen afspeelt in de historische figuur van Jezus van Nazareth, maar in ieder die zich tot gehoorzaamheid bekeert ook in de volkeren naarmate zij zich stellen onder het lààtste gezag.7 De heilsgeschiedenis zou de norm zijn van de mensheidsgeschiedenis. Dit lijken mij zeer gewaagde voorstellingen. Gesteld dat de incarnatie een doorgaande is - wat Rome leert - dan zou zij hier een werkelijk karakter krijgen. Zij zou zich uitdrukken, niet in geloften, maar in geboden. Ook wanneer men dat wil vermijden en de beloften handhaven - wat gij wel zult bedoelen - dan wordt toch de realisatie van de beloften afhankelijk gesteld van de vervulling der geboden in de wereld. Wat blijft er dan voor zondaren over. Ook hier zit Rome om de hoek. Rome laat de incarnatie doorgaan in de kerk. Sommige Anglikanen, vooral de moderne Anglikanen, die met Newman niet meegingen, doen het in de cultuur. Bij ons komt de incarnatie in de liturgische beweging sterk naar voren. Deze voorstellingen acht ik gevaarlijk. Gij zijt daaromtrent voorzichtig. Gij beperkt het tot een normerend karakter voor de cultuur, dus tot de kerk. Maar daardoor komt gij in de buurt van Rome. De hele structuur van ons hervormde reformatorische denken en leven is anders. De menswording krijgt haar zin in kruis en opstanding. De kerk krijgt deel aan de verzoening en de verlossing maar tussen God en mens blijft de gequalificeerde verhouding. Het Woord is vlees geworden. Dit moet gepredikt worden als iets dat geschied is. Het gaat niet door. Dat zou het geloof onderduiken in de mystiek.
Hiermee heb ik even op een paar belangrijke hoofdlijnen in Uw boek willen wijzen. Het lijkt mij byzonder van belang dat er op deze punten klaarheid komt. Houd mij mijn vrij lange brief ten goede. En wees overtuigd van mijn grote belangstelling in Uw denken en werken.
Met hartelijke groeten,
O. Noordmans.
(AWBanning)