795. O. Noordmans aan Th. Delleman1
Lunteren, 7 september 1947
Zeer geachte collega Delleman,
Nu het congres van de Calvinistische Studenten Beweging2 voorbij is, denk ik telkens nog terug aan die middag, toen ik zo allervriendelijkst als gast ontvangen werd en u mij in ’t bijzonder verwende door uw loden jas met mij te delen. Ik kan van de indrukken van die middag niet los worden. Daar zaten nu onze mensen van 1834-18863 bij de kapotte kerkscheuren, die ze gemaakt hadden. Een kloek volksdeel schaarde zich in twee hopen, zoals de caterva te Caesarea in Mauretanië, waar Augustinus tegen preekte en waarbij de stad zich uit pure moedwil in twee groepen verdeelde, die elkaar gingen bestrijden en waarbij dan zelfs doden vielen.4 Dogmatische moedwil moet ik het noemen, waarbij de hogere noodzakelijkheid ontbreekt. Het is ontzaglijk jammer. Uw mensen mogen het er niet bij laten en moeten uit dit verlies aan kracht en energie winst zoeken te halen. De les is zo duidelijk dat men in de ruimte moet terugzoeken, wat men in de engte verloren heeft. Het zijn problemen die u niet alleen aangaan, maar de hele Nederlands-Hervormde christenheid. Ik schreef er prof. Veenhof5 over. Zijn betoog vond ik waardig en waardevol. Hij was minder formeel dan prof. Ridderbos6 en ontwikkelde enkele zeer behartigenswaardige gedachten, die voor ons hervormden momenteel even actueel zijn als voor uw kringen. Dat er trappen zijn in de leer; dat de verhouding van het kerkelijke en het organische nader overwogen moet worden; dat men zijn kerkelijke dienst vervullen moet en dan eigenlijk klaar is; dat de meerdere vergaderingen gereserveerd moeten zijn met tuchtoefening; dat het een vraag is van katholiciteit; dat het niet om de leer maar om de Christusregering gaat. Dit zijn vragen waarmee wij hervormden juist zeer worstelen. Het zijn tijdvragen. En nu hoorde ik die vragen opkomen uit een conflict in eigen boezem bij uw mensen, waar ze duidelijk een verkeerde oplossing hebben gevonden. Het is een experiment geweest. Laat men het zo beschouwen. Deze proef was negatief. Maar laat men dan ook in ’s hemels naam de theorie wijzigen na deze proef. De vragen zelf blijven aan de orde, maar zij moeten in groter verband worden gesteld en de tijd is er niet naar om daarmee te wachten. Het was ontroerend de verlegenheid van uw mensen te zien en de goede wil, de stoere kracht, de gezonde opvattingen daarachter. Deze dingen mogen zich niet vastzetten. Nu alles nog vers is moet ingegrepen worden. Deze breuk7 moet geheeld. Maar dan moet er tegelijkertijd meer geheeld worden. Ik geloof dat zulks Gods wil is. Ik ben dankbaar voor donderdagmiddag 4 september 1947. Met hartelijke groeten gaarne uw
O. Noordmans.
(AN)