806. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Leiden, 3 januari 1948
Zeer vereerde Noordmans,
Het zou niet goed zijn, wanneer u niet even van ons hoorde, nadat u begonnen zijt ons blad te helpen. Op deze wijze! We zijn er zeer dankbaar voor; en vele lezers met ons.1 De eerste meditatie over Ps. 242 was wonderbaar: voor mij persoonlijk aangrijpend. Toch verbaasde het mij niet te horen, dat velen het niet hadden kunnen volgen, vooral de ‘buitenkerkelijken’ niet (we hebben ± 1000 niet-kerkelijke abonnees). Daar staat men weer in de spanning tussen gemeente en schare. Wat ons betreft, hebben wij niets liever dan dat u zich uitschrijft gelijk geest en hart bewogen worden en daarbij bovenal de geméénte dient door een priesterlijke uitleg. Indien het u mogelijk is, nu en dan ook aan de anderen te denken, des te beter. Doch ook zonder dat zijn en blijven wij blij met iedere alinea, die uit uw pen vloeit. Hoe sterk is uw verstand op zo hoge leeftijd, hoe innig klinkt de toon van deze hartvervoerende allegoresen! Mij laat het zinnetje niet los (over uw zuster) ... ‘die nu reeds lang met Gods engelen Zijn aangezicht aanschouwt’.3 - ik verlang er zo naar mij daarbij iets te kunnen denken, dat bijbels verantwoord is. De verwarring in het voorstellingsmateriaal aangaande de laatste dingen, altijd een verlegenheid voor de prediker, werd voor velen, en (door het heengaan van Cor en Alma)4 ook voor mij een persoonlijke nood. De ‘onsterfelijkheid’ is zonder twijfel niet schriftuurlijk, bij de opstanding stormt alle eerlijke denken en ervaren op ons in (cf. de griezelig-gekunstelde constructies van Augustinus aan het einde van de Civitate Dei, over het lichaam der martelaren, die opgegeten zijn door de leeuwen).5 De tussentoestand is een plaatsruimte voor de projectie van allerlei wensen. Ik kom niet verder dan Ps. 73: ‘dennoch bleibe ich stets bei Dir’ en wat in het verlengde daarvan ligt aan overtreffende bevestiging: Ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn!6 --- Maar onmiddellijk na de biologische dood? en hoe? als geest? Wat betekent ‘reeds lang’ in een ‘tijd’ zonder onze durée? Wanneer u daarover iets zou kunnen zeggen, ’t zij in een meditatie ’t zij tot mij persoonlijk in een brief, zou u een grote dienst bewijzen aan uw dankbare, maar zéér bestreden broeder in de bediening, Miskotte.
(AN)