814. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Leiden, 1 februari 1948
Zeer vereerde Noordmans,
Het is niet krachtens eigen aandachtigheid maar enkel door de bladen, dat ik weet van uw gedachtenis-dag; van uw feest.1 U weet, hoe mijn hart vol dank is voor alles wat gij aan kerk en volk, aan de theologanten en ook aan mij mocht geven. Vaker misschien dan anderen heb ik spontaan moeten blijk geven van mijn bewondering; de Here sterkt uw geest wonderbaar en wij zijn er getuige van, hoe ge nog aan velen (o.a. door In de Waagschaal) het Woord bedient. Ik waag mij niet aan kwalificaties, plastische naamgeving en overwegingen van de blijvende betekenis van uw werk, al ben ik overtuigd, dat wij nog bijzondere vruchten mogen wachten. De Here make uw levensavond schoon. Nu ik dit schrijf, moet ik bijzonder denken aan Tromp, wiens uitvaart wij morgen moeten begaan:2 het zou zeker midden uit zijn hart komen, alles wat u in deze dagen wordt gezegd, al de woorden ener diepe erkentelijkheid. Tromp, de mopperende fagot en de smetteloze fluit, verbonden in hun lovend zingen! hoe zwaar zal ons dit zwijgen wegen. Wij zijn weer een stuk armer geworden. Met de hartelijke groeten ook aan uw vrouw, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)