Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 8. Lunteren

Weergave

839. O. Noordmans aan J.J. Buskes1

Lunteren, 7 januari 1949

Aan ‘Terzijde’2 Amsterdam.

Zeer geachte ‘Terzijde’,

U vroeg de lezers van In de Waagschaal wat zij dachten van de emendatie van het Hoogheemraadschap in het gedicht van Roland Holst.3 Ik geloof dat God de mens soms loslaat, of liever - verlaat. Maar in alle gevallen, waarin dat zo mag heten, laat Hij hem ook weer opstaan, als Hij hem heeft laten vallen. - In alle andere gevallen is het een godslastering, het zo te noemen. - In volle zin geldt het misschien alleen van de verlatenheid aan het Kruis. Met de meeste hoogachting,

O. Noordmans.

(ABuskes)

Noten

  1. 1

    J.J. Buskes, zie brief nr. 815 (1.2.1948), n. 1↩

  2. 2

    Buskes verzorgde op zeer originele wijze de rubriek ‘Terzijde’ in In de Waagschaal en ondertekende met drie ***.↩

  3. 3

    Terzijde, IdW 4 (1948), p. 115: ‘De vraag naar God. 21 oktober 1948 werd het dienstgebouw van het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier aan de Hondsbosse zeewering te Petten geopend. In de gevel werd een gedenksteen gemetseld. Op die gedenk steen staat een gedicht van A. Roland Holst:

    Geen vloed dan die teutoons uit de oost geweldig opkwam

    besprong nog ooit dit kustvolk met zo barse schal.

    Doch - toen ook God het voor hun dorp niet langer opnam -

    bleef, tegen het geweld der zee, hun wering pal.

    Petten herrijst. Wat lang, bij dagen en bij nachten,

    gold, geldt opnieuw, gebeiteld in het Dienstgebouw:

    De Hondsbosse beschut het dorp, welks mannenkrachten

    haar kracht weer door hun werk waarborgen: Trouw om trouw.

    Op verzoek van het bestuur van het Hoogheemraadschap werd de derde regel van dit gedicht op de gedenksteen gewijzigd opgenomen:

    Doch - toen geen macht het voor hun dorp meer langer opnam -

    Het merkwaardige is, dat het oorspronkelijk gedicht van Roland Holst de vraag naar God stelt, terwijl het bestuur een wijziging voorstelde, die tengevolge heeft gehad, dat God in het gedicht niet genoemd en dus ook de vraag naar God niet gesteld wordt. Is het bestuur van deze derde regel geschrokken? Meende het, dat God het in de bezettingstijd wel voor Petten heeft opgenomen? Vond het het oorspronkelijke gedicht ongelovig en het op zijn verzoek gewijzigde gedicht gelovig? In elk geval heeft Roland Holst de vraag naar God in het wereldgebeuren aan de orde gesteld en hij deed het zo, dat het bestuur van het Hoogheemraadschap er geen weg mee wist. Ik zou wel eens willen weten, wat de dichter denkt over de wijziging in de derde regel en wat de lezers van In de Waagschaal denken van het oorspronkelijke en wat van het op verzoek van het bestuur gewijzigde gedicht van Roland Holst.’

    * * *↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 838. O. Noordmans aan J.J. Buskes8. Lunteren840. O. Noordmans aan de bond van Nederlandse predikanten →