876. O. Noordmans aan J.J. Buskes1
Lunteren, 7 juni 1950
Waarde Buskes,
Sedert enige weken ben ik weer thuis. Mijn gezondheid geeft reden tot tevredenheid. Toen ik in Arnhem was, heeft mijn dochter je geschreven. Het wordt tijd, dat ik nu zelf iets van mij laat horen. Ik dank je heel hartelijk voor de belangstelling, die je betoond hebt in mijn ziektegeval. Het kwam onverwacht, ofschoon het verband hield met enige last, die ik reeds geruime tijd lang had ondervonden. Na de operatie was het levensgevaar spoedig voorbij. Heel dankbaar was ik voor het bloemstuk namens In de Waagschaal en voor het meeleven in de kolommen van het blad.2 Ik hoop nu weer aan het zenden van meditaties te kunnen beginnen. In ’t algemeen hoop ik in staat te zijn, weer een en ander ter hand te nemen, waarmee ik bezig was. Er is werk genoeg aan de winkel. En stilzitten is een uitgesloten mogelijkheid, zolang de gezondheid het toelaat. In mei heb ik een beetje vacantie gehouden en wat gelezen, o.a. Gheorghiu’s La vingt-cinquième heure.3 Ik kon niet helemaal mee gaan met Winkler’s critiek.4 Het lijkt mij dat deze niet helemaal billijk is. Er is ontzaggelijk veel ‘Tendenz’ in het boek en de roman wordt daardoor sterk overwoekerd. Maar, mijn hemel, het is toch ook geen gewone familie-roman. Zo’n boek kan niet anders dan sterk-hybridisch zijn. Het komt er op aan, welke indruk het geheel nalaat. Er zijn heel wat gedeelten, onder andere het begin, die tonen, dat de schrijver wel een goede roman, in de gewone zin van het woord, kan schrijven. Maar er zijn andere gedeelten, die een hoger talent verraden en die aan Dostojewski5 herinneren. Ik denk bijv. aan de ontmoeting van de trein met D.P.’s en die met retournerende patriotten. De heilige, onnozele, onbesmette Johann Moritz geeft door zijn onschuldige humaniteit aanleiding tot een steniging van de D.P.’s6 door de patriotten. Hier wordt de hoofdpersoon tot een Christusfiguur, als hij door zijn eigen mensen bijna doodgeslagen wordt. Hij wordt de plaatsbekledende lijder en Tzajan Koruga herkent hem als zodanig. De beide treinen herinneren aan de ontmoeting van de twee generaties op het terras in Dostojewski’s Idioot. Aan zulke partijen moet men dit boek beoordelen. Zulke diep-christelijke gedeelten zijn er meer. Winkler heeft gelijk als hij er op wijst dat beide helften van de wereld te veel over een kam geschoren worden. Maar de vraag is, waar die critiek haar wortels heeft. En heeft zij die bij Gheorghiu niet in het Evangelie? Doen Jezus en Paulus ook niet alzo? Met hartelijke groet,
O. Noordmans
(ABuskes)