Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 8. Lunteren

Weergave

882. O. Noordmans aan de Commissie voor het vraagstuk van de vrijstelling van theologen van de militaire dienstplicht

Lunteren, 25 oktober 1950

Gaarne wil ik enkele kanttekeningen maken bij uw concept-rapport over vrijstelling theologen van dienstplicht. Ik heb indertijd de artikelen van Faber1 gelezen. Laat mij dadelijk mijn hoofdbezwaren tegen uw concept mogen noemen. In de laatste alinea op blz. 2 schrijft uw commissie, dat het niet mogelijk is met welomlijnde voorstellen te komen, omdat een consensus over het ambt ontbreekt.2 M.i. moet de zaak toch, al ontbreekt een consensus, van het ambt uit bezien worden. Een commissie uit de Oecumenische Raad mag zich niet uit de ambtelijke gezichtshoek laten dringen door een verlegenheid in onze ambtsbeschouwing. Daarvoor zijn ambt en oecumene te zeer verbonden. In alinea 2 van blz. 2 schrijft uw commissie, dat naar evangelische maatstaf de vrijstelling verwerpelijk is.3 Maar een Oecumenische Raad kan niet achter de rug van de apostelen, de ambtsdragers om, evangelische maatstaven gaan aanleggen. Daarvoor rust de Oecumene te zeer op het apostolaat. De Handelingen staan niet voor niets achter de Evangeliën. Daarom acht ik ook het op blz. 2 onder a voorgedragen verschil tussen Rome en ons4 op dit punt, te absoluut genomen. Ons hoofdbezwaar tegen Rome is, dat het de ambtelijke bevoegdheden concentreert in de paus. Dat verder door Rome een geestelijke stand wordt aangenomen, vindt zijn reden niet eigenlijk in de ambtsbeschouwing, maar in de avondmaalsleer. Een pastoor is ook pastor, herder, en in vele opzichten is hij een dominee. Nu hebt u het ambtelijke vrijwel uitgeschakeld en bent daardoor genoodzaakt geworden uw argumenten ergens anders te zoeken. U meent dit in het evangelie gedaan te hebben, maar in werkelijkheid zijn het toch meer algemene gezichtspunten die u naar voren brengt. Zo blz. 2 onder b, de solidariteit;5 d, de persoonlijke onmisbaarheid6 enz. Implicite erkent uw commissie, dat zulke overwegingen niet doorslaande zijn. Immers zij vindt geen vrijmoedigheid tot een voorstel tot afschaffing. Zij erkent daarmee natuurlijk ook, dat de afschaffing geen evangelisch gebod is en toch schrijft u, dat naar evangelische maatstaven, de vrijstelling onjuist is en verwerpelijk. Tot deze verwarring komt uw commissie door het verwaarlozen van het ambtelijke. Het is een geweldige vraag, die hier om antwoord aanklopt. N.l. of de dienaren van de Vredevorst, die het zwaard van het Woord voeren, het wereldse zwaard mogen dragen: of Petrus Malchus het oor mag afslaan. Hier springen natuurlijk honderd andere vragen mee naar voren. Maar deze éne vraag moet in dit verband toch even rustig staan. De leer der twee zwaarden is niet maar een pauselijk bedenksel, maar is in ’t wezen der kerk gegrond. De ambtelijke maatstaven dragen een eigen karakter. Wanneer men die laat varen en de weg opgaat van algemeen-menselijke overwegingen, die men dan voor evangelische kan verklaren, zonder dat ze het zijn, dan komt men tot vreemde uitkomsten. Kan dezelfde hand, die zes dagen bloed vergiet, op de zondag het avondmaal bedienen? Het evangelie prediken? Maar de anderen dan? zal men zeggen. Maar is er nergens een grens? Moeten wij in onze tijd op seculiere argumenten besluiten de laatste - of de eerste - grenspaal tussen de wereld en de afgrond weg te nemen? Moet de inspraak van het bloed de inspiratie van de Geest nu geheel het zwijgen opleggen? Moet Petrus het zwaard nemen? Dat is de vraag die de kerk oecumenisch te beantwoorden heeft. Zij is ons evengoed aangaande als Rome. En Rome evengoed als ons. Hiermee meen ik dan enigermate aan het verzoek van uw commissie te hebben voldaan. het lijkt mij dat dit vraagstuk er een is van de eerste orde en dat het alleen zou mogen worden behandeld in een zo breed mogelijk oecumenisch verband. Er is hier geen verschil tussen pastoor en pastor. De gewetensconflicten, die op dit gebied in onze tijd scherper worden, moeten niet verder worden geïndividualiseerd. Men moet de herder niet in het water gooien om de schapen te redden. De seculiere solidariteitsgedachte schijnt dit te vorderen. Maar in de Oecumene gelden andere maatstaven. Met grote belangstelling voor de arbeid van uw commissie, Uw dw.

O. Noordmans

(AORK)

Noten

  1. 1

    A. Faber (1911-1990), ‘De vrijstelling van militaire dienst’ in Weekblad van de Nederlandse Hervormde Kerk 33(1949) nr. 23; idem, ‘Onhoudbaar Privilege’ in Het Orgaan van de BNP 26(1949) nr. 2; idem, ‘Eerste Reactie’ in Het Orgaan van de BNP 26(1949) nr. 3/4. Faber was herv. pred. te Renesse (1937), voorganger ver. vrijz. hervormden te Kampen 1941, Boxum 1947, Emmen 1958-1976 em.↩

  2. 2

    Rapport van de Commissie, ingesteld door de Oecumenische Raad ter bestudering van het vraagstuk van de vrijstelling van militaire dienstplicht voor de theologen: ‘In de derde plaats is onze commissie van oordeel, dat van haar inzake de vrijstelling van theologen geen strak omlijnde voorstellen kunnen worden verwacht, zolang de kerken zich niet beraden hebben op het vraagstuk van de militaire dienstplicht en haar geoorloofdheid in het licht van het evangelie, en zolang de kerken van het wezen van het kerkelijk ambt geen klaardere gedachten hebben dan tot op dit ogenblik is gebleken’↩

  3. 3

    Rapport: ‘In de tweede plaats heeft onze commissie zich afgevraagd, of zij zich met deze ontwikkeling kon verenigen. Zij kwam daarbij tot de conclusie, dat naar evangelische maatstaf gemeten, de vrijstelling van de militaire dienstplicht voor theologen, zoals wij die thans kennen - in wezen en om de gevolgen daarvan in de gemeenten - onjuist en daarmee verwerpelijk is.’↩

  4. 4

    Rapport: ‘De erkenning van een geestelijke stand en de daaruit voorvloeiende ambtsopvatting, zoals deze door de R.K. kerk worden gesteld, zijn vanuit reformatorisch standpunt niet aanvaardbaar.’↩

  5. 5

    Rapport: ‘Bij de huidige stand van zaken kan van een privilege voor de theologen gesproken worden, althans zo wordt het aangevoeld door de buitenwereld. De lasten en zorgen, die aan ieder ander lid van de maatschappij worden opgelegd, mogen niet worden onthouden aan de theologen. Zij hebben solidair te midden van volk en gemeenteleden te staan en mede te dragen wat aan hen wordt opgelegd.’↩

  6. 6

    Rapport: ‘In dit verband moet worden opgemerkt, dat - al zal in verscheiden gemeenten sprake zijn van persoonlijke onmisbaarheid van de predikant, en al zal de beoordeling van een dergelijke situatie slechts aan de kerk en niet aan de staat openstaan - hierin toch geen reden kan liggen tot een speciale behandeling van de theologen naast de wettelijke wegen tot vrijstelling van andere onmisbare figuren voor staat en maatschappij.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 881. J.B.Th. Hugenholtz aan O. Noordmans8. Lunteren883. H. Robbers S.J. aan O. Noordmans →