970. O. Noordmans aan A. Wapenaar1
Lunteren, 12 september 1955
Briefschrijven gaat mij de laatste tijd wat moeilijk af. Ik moet het doen in mijn bed, op mijn rug liggend. Wanneer dat niet het geval was, zou ik u allang eerder geantwoord hebben op uw brief d.d. 28 juni j.l.,2 die ik zeer op prijs heb gesteld. En nu is daar nog bij gekomen uw artikel in Centraal Weekblad,3 waarin u mijn boek zo vriendelijk onder de aandacht van de gereformeerde lezers hebt gebracht. Ik dank u voor beide, brief en artikel. Niet zonder ontroering las ik in uw brief, dat u mij zo heel dicht ziet staan naast kerkelijk-gereformeerden, die van mij houden om mijn eigen persoonlijk geluid. Deze omstandigheid heeft een reële ondergrond. Ik heb steeds de scheiding van 1886 en 1834 als een onwezenlijke gevoeld. Ik heb veel te danken aan Standaard en Heraut, waarbij ik ben opgegroeid. Hoe meesterlijk waren Kuypers hoofdartikelen en zijn ‘asterisken’. En welk een geweldige opvoedende kracht is daarvan uitgegaan. Dit alles zie ik als historisch. Het moet een vervolg hebben. Tegen Kuypers verwachting en hoop heeft het zich te veel vastgezet en zijn de hervormden, die in 1886 veel minder duidelijk hun toekomst zagen, in vele opzichten meer historisch gebleven. Wij weten nu veel beter waarom wij in 1886 niet meekonden, dan toen. Ik ben altijd wel van mijn vroegere huisgenoten blijven houden. Mijn bezwaar was alleen dat ze zich te veel gingen vastzetten. Waarheid moet men niet op een schaaltje wegen. Waarheid is het gedruis van de komende Koning. Waarheid is trompetten- en bazuingeschal. Deze waarheid wordt juichende aanvaard en zij neemt automatisch de scheidingen weg. Het verblijdt mij dat u iets van deze dingen in mijn Gestalte en Geest hebt gespeurd. De dingen die er in staan zijn door mij ook niet met een zekere vooropgezette opzettelijkheid geschreven. Maar zij werden gedragen door een soort gehevenheid, die haar half-ongeweten oorzaak vond in wat ik boven opmerkte over de Koning en zijn Rijk. Noodwendigerwijze bindt dit ons aan elkaar. Ik mag misschien ook wel tegenover u bekennen, dat ik de scheiding van 1886 steeds meer historisch zie. Laat mij het zo mogen zeggen: Het moet uit zijn! Het is onverantwoord. Hier in Lunteren staat in de Gereformeerde Kerk dr. mr. Ozinga4 Ik zie hem zo nu en dan aan mijn bed en ik vind dat volkomen normaal. [...]5 Wees Gode bevolen. Met hartelijke groeten,
O. Noordmans.
(Origineel bij A. Wapenaar)