519. W.J. Aalders1 aan O. Noordmans
Groningen, 7 oktober 1935
Zeer waarde Heer,
Veel dank voor uw brief. Gij zult zeer welkom zijn. Mag ik u een concreet voorstel doen? Als gij en uw vrouwe woensdagmiddag komen, bijv. te 14.28 uur - ik heb daarvóór college - kunt gij even te mijnent zijn. Wij gaan dan naar de universiteit. Na de plechtigheid wordt daar receptie gehouden. Ik stel u voor, dat gij te mijnent eet en ik zou het op prijs stellen, als uw zonen en dochter daarbij waren. En ’s avonds vraag ik de theologische collega’s met hun dames om u nog eens rustig te ontmoeten. Terwijl ik er op reken, dat gij te mijnent logeert. Ik zal u wel zeggen, wanneer gij spreekt. Het program is eenvoudig. De rector opent de vergadering en geeft mij het woord. Ik zeg iets en promoveer u. Daarna zegt gij het uwe. Daarop sluit de rector de vergadering. Voor publiciteit in de bladen zal worden gezorgd zodat belangstellenden kunnen tegenwoordig zijn. Geloof mij, met verzekering van hoogachting en groeten, uw dw. W.J. Aalders.
(AN)