526. J.H. Gunning JHzn1 aan O. Noordmans
Amsterdam, 10 oktober 1935
Waarde en geëerde broeder,
Met grote vreugde las ik vanmorgen dat Groningen u doctoreerde, wat ik al vóór twaalf jaren tevergeefs aan de Utrechtse senaat heb gevraagd. Ik ben bij u vergeleken niets dan een armzalige dilettant, maar de kritiek der bewondering heb ik van mijn vader overgeërfd. Ik hoop, dat gij, evenals Miskotte en de jonge Hebraïcus Van Selms2 (voor wie Obbink3 echter zijn veel mindere zoon4 wel in de plaats zal schuiven) nog tot een academische leerstoel geroepen zult worden, maar zo niet, bene meritus in de Ecclesia. Ik verheug mij hartelijk in deze uw onderscheiding. Uw vriend,
J.H. Gunning JHzn.
(AN)