558. S. Cuperus1 aan O. Noordmans
Lekkum, 1 november 1935
Waarde collega Noordmans,
Hierbij de officiële gelukwens. Laat mij er die van mij persoonlijk aan toevoegen. Dat is nu eens een doctorstitel, die men met eer kan voeren. Ik hoop, dat gij er veel genoegen aan beleeft. ’t Bloed kruipt waar ’t niet gaan kan. Dat de stoere Fries, de standvastige dominee van Suameer, het lid van het Fries Godgeleerd Gezelschap - want gij zijt het nog ‘honorair’, om, zodra gij in it heitelân2 mocht terugkeren, onmiddellijk weer als werkend lid te worden ingehaald - eershalve doctor werd, heeft mij recht verblijd. Voorts zie je, dat het Gezelschap zijn leden niet uit ’t oog verliest. Het lid, dat in de vergadering de mededeling deed, was, zoals je weet, Noest.3 Hij is, al woont hij in de provincie Groningen, werkend lid gebleven en een trouw bezoeker der vergaderingen. Van de vroegere leden hebben we nog o.a. Bleeker,4 Carsjens,5 Stoel,6 Swart;7 de meesten zullen echter voor jou, als lid, vreemden zijn. Niettemin werd het besluit met eenparige stemmen genomen: en ... zonder een zweem van ‘krenten’-zoekerij hoor! Met vriendelijke groet,
S. Cuperus.
(AN)