‘Kerkorde en beroep op de Heilige Schrift’ (2) en ‘Naschrift bij Kerkorde...’ (2) KO 6 (juni 1937) nr. 2. Het eerste artikel over dit onderwerp verscheen in KO 5 (april 1937) nr. 12. Deze en enkele andere artikelen verschenen in het kader van een discussie n.a.v. A.M. Brouwer, De kerkorganisatie der eerste eeuw en wij (Baarn 1937). Zie VW 5, 391-403. In zijn naschrift stelt Brouwer een aantal kritische vragen: ‘... Waarom niets gezegd over de Zending? Dit is toch stellig een vijfde departement naast de vroeger door Dr. N. genoemde. Wanneer wij die centraal stellen, wordt ons kerkbegrip toch wel geheel anders: dynamisch in plaats van statisch. Dit is een fundamenteel punt veel meer dan de vraag naar de doctores. En waarom ook de onderlinge verantwoordelijkheid der predikanten niet besproken? Ook dit wijzigt het kerkbegrip meer dan de vraag naar de doctores. Eveneens geldt dit van de plaats der vrouw. Komen wij op de lijn die Dr. N. volgt, niet tot de conclusie, dat de 350 jaren die ons van Calvijn scheiden, ons niets hebben geleerd omtrent de organisatie en feitelijk ook niets omtrent de H. Schrift en bijgevolg ook niets omtrent de belijdenis? Stellen wij zoo de geschiedenis der Hervorming niet boven de H. Schrift, iets dat Dr. N. niet zegt te willen, maar waarvan ik gezegd heb, dat als wij ons van de letter der Schrift moeten losmaken (wat noodzakelijk is op een terrein waarop alleen indirecte aanwijzingen gegeven zijn) de vraag zuiver historisch en practisch wordt?... Is dit zo, dan wordt de kerkorde die niet onmiddelijk uit de Schrift is af te leiden, tenslotte bepaald door de historische verhoudingen van de volkeren, waaronder de kerk haar roeping te vervullen heeft. Dan zijn wij, Nederlandsche Gereformeerden, historisch en practisch aangewezen op de presbyteriaal-synodale kerkorde, evenwel met dien verstande, dat wij niet eenvoudig teruggrijpen op de zestiende eeuw, maar die wijzigingen er in aanbrengen, die de geschiedenis van 350 jaren ons als wenselijk heeft doen kennen. Dat is de grondgedachte van mijn boekje over de kerkorganisatie en ik ben door Dr. N. nog niet overtuigd, dat die grondgedachte onjuist zou zijn...’↩