588. J.F. Beerens1 aan O. Noordmans
Utrecht, 16 oktober 1937
Amice collega,
Een drietal artikelen2 voor Kerkopbouw mochten wij van je ontvangen, waarvoor onze hartelijke dank. Maar tegen een paar zinsneden heb ik bedenkingen. Ik wil die even uitspreken. Zo schrijft gij in uw artikel over: ‘Het 4e ambt in de Hervormde kerk’ over de practische draai, die prof. Brouwer geeft aan deze academische kwestie en vervolgt aldus: ‘Deze draai blijft een particuliere handigheid van een Utrechtse professor.’3 En op blz. 5 spreekt ge weer over een ‘handigen stoot over de band.’4 In dit woord ‘handig’ en ‘handigheid’ hoor ik iets onvriendelijks, ja iets kwetsends aan ’t adres van onze voorzitter, die - ook al is men ’t niet met hem eens - nimmer van onwaarachtigheid of diplomatieke slinksheid beschuldigd kan worden. Gij zijt ’t natuurlijk met mij eens, dat zijn eerlijke bedoelingen boven alle verdenking staan. Welnu, dan lijkt het mij niet juist om op hem ’t predikaat ‘handig’ toe te passen. Vooral niet in ’t orgaan der vereniging, waarvan hij voorzitter is. Daar is ’t geheel niet op zijn plaats, als twee hoogstaande moderamenleden elkaar op onvriendelijke wijze aanvallen. Dat doet denken aan ‘ ’t koninkrijk tegen zichzelf verdeeld.’5 De buitenstaanders en tegenstanders van ‘Kerkopbouw’ zouden zich daarover verkneuteren. Dan komt er in ’t artikel: ‘Kerkorde en beroep op de Schrift’6 in ’t citaat van Newman7 voor: ‘Het zijn de tweede-rangs mensen, al zijn ze heel nuttig op hun plaats, die zich bezig houden met bewijzen, gladstrijken, afmaken en uitleggen.’ Onwelwillende lezers zouden deze uitdrukking kunnen toepassen op uw hooggeachte opponens. Ik weet wel, dat jij dat niet zo bedoelt en Brouwer niet als een tweede-rangs mens wilt kwalificeren. Maar - nog eens - ’t kan er uit worden gedestilleerd. Daarom zou ik je willen verzoeken, of je ’t goed vindt, dat ik in deze beide artikelen die wijzigingen aanbreng, waardoor alle persoonlijke onvriendelijkheden worden geëlimineerd. In dat geval zullen wij ze natuurlijk gaarne plaatsen. Want ik moet er voor waken - en gij zijt dat ongetwijfeld met mij eens, dat de goede, vriendschappelijke toon vooral bij de discussie van twee moderamen-leden niet verdwijne. Met vriendelijke groeten gaarne per omgaande je antwoord tegemoet ziende tt.
J.F. Beerens
(AN)