591. O. Noordmans aan J.F. Beerens1
Laren (G.), 8 november 1937
Amice collega,
Uw schrijven van 1 november j.l.2 bracht mij er van op de hoogte, dat prof. Brouwer zonder uw voorkennis door bemiddeling van de secretaris der redactie, naschriften onder mijn artikelen heeft doen plaatsen. Nu zou ik nog graag iets meer weten, n.l. of gij u bij zulk een gang van zaken neerlegt en mij aan de willekeur van de heren Brouwer en Stevens overlaat. Gij zijt van mening, dat die naschriften daar niet behoren. Gij hebt mij dat pertinent verklaard. Laat gij nu voortaan toch toe, dat het achter uw rug om gebeurt? Gij begrijpt dat ik wens te weten waar ik, als medewerker van het blad, aan toe ben. Bovendien vind ik de manier van Brouwer weinig sportief. Wij discussiëren volkomen op gelijke voet over een boekje dat hij schreef3 en een referaat dat ik hield.4 Waarom zou hij telkens een demper op mijn artikelen mogen plaatsen, terwijl de zijne hun volle klank zouden mogen houden? Mag ik dus even van u horen (welke houding gij in deze zaak denkt aan te nemen? Ik wens alleen in het blad te schrijven op gelijke voet met ieder ander) of ik voortaan weer de bescherming geniet, waarop ieder schrijver in ons blad recht heeft?5
(AKO)