In de notulen van de Uitvoerende Commissie van 4.4.1938 wordt dit punt genoemd. ON zal gevraagd worden op de vergadering van het uitgebreid moderamen van 8.4.1938 ‘een inleiding te houden om ’t Ontwerp t.o. de amendementen te verdedigen.’ Hierbij de aantekening: ‘Secundus Zeydner.’ De amendementen waren opgesteld in opdracht van een reorganisatiecomité van voorstanders van het Ontwerp 1938 (n.3); zie P. Scholten e.a., Critiek en Amendementen op de reorganisatievoorstellen 1937 (Nijkerk 1938). A.M. Brouwer had zelf reeds in de synode van januari voorgesteld dat in art. 8 de zinsnede ‘de zorg voor de belijdenis der kerk’, gewijzigd zou worden in ‘de zorg voor het belijden der kerk’. In een manuscript met de titel Moeilijkheden in Kerkopbouw vertelt Brouwer, die in art. 8 van het Ontwerp het woord ‘belijdenis’ vervangen wilde zien door ‘belijden’, dat op de moderamen vergadering de brochure Het Reorganisatieontwerp verdedigd van P. Scholten werd besproken, ‘dat grotendeels tegen mij gericht is’. Brouwer twijfelt aan de integriteit van Zeydner): ‘Zelf had ik voorgesteld aan de Uitv. Commissie Noordmans te vragen, de inleiding te houden. Toen was door Zeydner gezegd: is ’t niet beter de brochure v. Scholten als inleiding te hebben. Ik had daaruit afgeleid, dat Noordmans nu niet meer gevraagd zou worden...Ik sprak daarover even met Noordmans, en die zei: ‘ja, ik heb wel een inleiding; ds. Zeydner heeft mij dit gevraagd.’ Weer een vreemd geval. Zeydner verklaarde dit zo: hij, Z., was secundus geweest; hij zat er niet zo in en had daarom Noordmans geschreven om het toch vooral te doen. Afijn, Noordmans hield dan een inleiding. Mijn bezwaren (nl. dat de goede bedoeling van het ontwerp nog geen garantie was voor een goede uitvoering en dat de driehonderd jaar oude belijdenisgeschriften nu niet als criterium voor rechtzinnigheid aangelegd konden worden) bleek hij niet begrepen te hebben.’ Uit de (klad)notulen van de moderamenvergadering (8.4.1934) valt de inhoud van het referaat van ON als volgt te construeren: ON geeft de opvatting van Brouwer weer, dat het Ontwerp onaanvaardbaar is als er niet bepaalde amendementen aan worden toegevoegd. Hij zegt dat men wel moet weten wat er gebeurt als het Ontwerp niet wordt aangenomen. Want nu heeft de kerk een burgerlijke orde, geen kerkorde. Zij heeft predikanten, ambtenaren, reglementen, die niet kerkelijk zijn, maar die alleen betrekking hebben op ‘partijwezen’: ‘Dus een kerkorde met gevaren is mij meer lief dan de politieke, burgerlijke orde van nu.’ Verder verklaart ON geen begrip te hebben voor B.’s voorkeur voor ‘belijden’ en de angst voor ‘belijdenis’. Naar de mening van ON is het Ontwerp 1938 niet statisch, wanneer daarin gepleit wordt voor ‘zorg voor de belijdenis door hervorming en handhaving, opdat het geloof der kerk in haar verkondiging en in haar symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverder tot uitdrukking kome en opdat de openbaring van God, Vader, Zoon en Heilige Geest naar de heilige Schrift, als regel van geloof en leven worde geëerbiedigd en het karakter der kerk als kerk van Christus worde bewaard.’ Dat gold ook reeds voor het Ontwerp KO (1934), waarin voor soortgelijke bewoordingen was gekozen. Hier ligt juist een fuik voor de belijdenisgeschriften!’ In KO 7 (april 1938) nr. 12 wordt uitgebreid verslag gedaan van de vergadering van het uitgebreid moderamen van KO over het Ontwerp n.a.v. de brochure van P. Scholten Het reorganisatieontwerp verdedigd (Nijkerk 1938). De discussie werd ingeleid door Noordmans en Brouwer. Verslag inleiding Noordmans: ‘... Hij betoogde dat met het verwisselen van het woord ‘belijdenis’ met ‘belijden’ toch niets wezenlijks veranderde, en dit een woordenkwestie is. Waarop het aankomt is, dat onze kerk, die met haar ten dele bestuurlijke organisatie, een burgerlijke en niet kerkelijke organisatie bezit, haar uitzonderingspositie in de wereld nu eindelijk eens prijs geeft. Men moet toch ook wel het onderscheid in acht nemen tussen herzien van de liturgische geschriften en hervorming van de belijdenis: dat zijn geheel ongelijke grootheden. Wat de leertucht betreft, als men alle kwesties tot in de Synode wil uitvechten, dan zou men een incidentele dogmatiek krijgen, zo dik als een talmoed. Het was beter dat in de classes te laten doen en alleen bij belangrijke vragen de Synode te laten beslissen. Trouwens, iedere veroordeelde had recht op hoger beroep. Als de Synoden het Reglement hanteren, krijgen wij iets anders dan dat het zoals nu door de besturen gebeurt.’↩