Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld. 1935-1945

Weergave
Passages naar Readwise sturen

622. Ph. Kohnstamm1 aan O. Noordmans

Ermelo, 30 april 1939

Hooggeachte heer Noordmans,

Ik heb met leedwezen uw kaart van 22 en brief van 28 dezer gelezen omdat ik vrees, dat we op de weg van ‘hard tegen hard’ nooit een ‘belijdende kerkorde’ zullen krijgen.2 En wat ge zegt over het stuk van dr. Koopmans3 toont mij opnieuw aan hoe ver we nog van wederzijds begrijpen als voorwaarde voor een gemeenschappelijke daad verwijderd zijn, die tot een gemeenschappelijk kerkelijk leven zou kunnen voeren. Want ik mag niet verhelen, dat ik nauwelijks minder dan Brouwer geschrokken ben van Koopmans’ betoog. Het leek mij ongeveer te gaan in de lijn, die Ds. Timmer van de Gereformeerde Bond4 me onlangs aangaf, dat we op het ‘reformanda quia reformata’5 maar niet meer veel nadruk moeten leggen. De eeuwige waarheid was in de belijdenisgeschriften reeds zo goed geformuleerd dat waarlijk het beroep op de Schrift - al mocht het theoretisch niet ontkend worden - praktisch toch niets meer kan betekenen. Ik zou geneigd zijn dit hyper-rooms te noemen en zou me zeker niet kunnen thuis voelen in een deel van de kerk, dat zich op zulke theorieën vastlegde. Maar als ik nu lees, dat dr. Koopmans zich op u beroept,6 en dat gij - zo althans duid ik uw brief - dat beroep accepteert, dan moet ik weer veronderstellen, dat dr. Koopmans niet zo ver van mij afstaat, als ik meende. Dat bewijst me dan me echter wel, hoe nodig gedachtenvorming is, om met elkaar uit de chaos van het nu te komen en dat we nog andere oorzaken dan onwil moeten aannemen in het verzet dat tegen het ontwerp ’38 werd geboden. Mijn concept-antwoord aan Evenhuis7 bedoelde juist dat te doen uitkomen. Evenwel, ik begrijp, dat Zeydner8 en ik ons bij uw besluit moeten neerleggen. Het is dan ook slechts zijdelings, daarom, dat ik thans schrijf. De hoofdzaak is, dat gij in uw kaart en brief mijn vraag niet hebt beantwoord omtrent een verzoek aan prof. Scholten tot bijeenroepen van het reorganisatie-comité. Mijn gedachtengang was deze, dat wij - zelfs in afwachting van het rapport Aalders9 - niet aan Kerkherstel en Kerkopbouw afzonderlijk verdere voorbereiding kunnen overlaten, want dat er bij de bestaande spanningen dan zeker niets dan minderheidsovertuigingen ontstaan. Scholten was bereid een vergadering te beleggen, als wij het verzoek daartoe deden. Nu doet zich nog deze complicatie voor, dat ik nog altijd medisch huisarrest heb. Dinsdag word ik opnieuw röntgenologisch onderzocht. Woensdag hoor ik of het huisarrest al of niet wordt verlengd. Telefonisch heb ik met Zeydner gisteren afgesproken dat als ik weer aan ’t werk mag gaan, in elk geval hij en ik met prof. Scholten de wenselijkheid van die vergadering zouden overleggen, maar wij zouden er prijs op stellen, dat gij u daartoe bij ons aansluit. Hebt gij redenen, die daar tegen pleiten, of ontraadt ge zelfs de bijeenkomst, dan zouden we dat graag willen weten, voordat we in druk overleg treden. Trekt het reorganisatie-comité zich terug, of wordt het een zuiver Kerkherstel-comité, dan begin ik meer en meer te vrezen, dat de reorganisatiebeweging in de sfeer van een onreformatorisch en onbijbels dogmatisme zal terecht komen. Juist daarom zie ik met belangstelling naar uw antwoord uit. Met vriendelijke groeten, uw dw.

Ph. Kohnstamm.

(AN)

Noten

  1. 1

    Ph.A. Kohnstamm, zie brief nr. 348 (26.5.1925), n. 4.↩

  2. 2

    Blijkbaar heeft ON Kohnstamms brief nr. 618 (18.4.1939) negatief beantwoord. De opmerkingen van Kohnstamm, hier gemaakt, en uitlatingen van ON elders doen vermoeden dat ON weinig bezwaar gehad heeft tegen de beweringen van Evenhuis (zie brief nr. 618 (18.4.1939), n. 3). Eind 1939 of begin 1940 bedankte ON voor KO. In de notulen van de Uitvoerende Cie. van 27.1.1940 wordt de bedankbrief van ON genoemd. Deze is echter niet teruggevonden.↩

  3. 3

    J. Koopmans (zie brief nr. 456 (22.5.1934), n. 16), ‘Het beroep op de Schrift’ in: KO 7 (april 1939) nr. 12. Koopmans was gevraagd te reageren op A.M. Brouwer, ‘Het beroep op de heilige Schrift’ in: KO 7 (febr. 1939) nr. 10.↩

  4. 4

    J.J. Timmer (1889-1977), herv. pred. o.a. te Ermelo 1922, lid en later secr. hoofdbestuur Gereformeerde Bond.↩

  5. 5

    Voluit luidt deze latijnse spreuk : Ecclesia semper reformanda quia reformata = een kerk, die steeds opnieuw hervormd moet worden, omdat zij hervormd is.↩

  6. 6

    Koopmans verwijst in zijn dissertatie: Het oudkerkelijk dogma in de reformatie, bepaaldelijk bij Calvijn (Wageningen 1937), 15, in een noot naar ON’s opstel ‘Licht en donker in de exegese’ (VW 3, 10v.) n.a.v. de opvatting van Luther t.a.v. onduidelijkheden in de Bijbel.↩

  7. 7

    R.B. Evenhuis, zie brief nr. 399 (2.6.1931), n. 7.↩

  8. 8

    W.A. Zeydner, zie brief nr. 595 (3.4.1938), n. 1.↩

  9. 9

    Zie brief nr. 618 (18.4.1939), n. 4.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 621. O. Noordmans aan C.E. van VoorthuysenLaren Gld. 1935-1945623. C.J. de Vogel aan O. Noordmans →