648. O. Noordmans aan ‘De Regenboog’1
Laren (G.), 3 juli 1940
Waarde Broeders,
Mede in verband met de toestand van de verkeersgelegenheden kom ik u hierbij meedelen, dat ik als lid van ‘De Regenboog’ meen te moeten bedanken. Wanneer ik dit jaar dubbel mag tellen - gij zult dat niet onredelijk vinden - dan ligt voor mij de aetas septuagenaria2 juist op de dag voor de volgende vergadering. Ook dat is een reden om mij langzamerhand iets terug te trekken. Ik heb van 1923 of 1924 af het voorrecht gehad tot deze Broederkring te behoren. Dat is voor bijna de helft van mijn pastorale leven. Buitengewoon veel ben ik verschuldigd aan de collegiale omgang bij landelijke afzondering, waarvan art. 1 spreekt.3 Vele prachtige fietstochten heb ik gemaakt om de zomervergaderingen te bereiken. Gedurende mijn praesidium heb ik steeds getracht art 2. tot zijn recht te doen komen, waarin het cursief gedrukte woord wil zeggen, dat ‘De Regenboog’ geen studiekring in engere zin wil zijn.4 Men behoort art. 2 een beetje humoristisch te lezen, zoals ook blijkt uit de ‘mos’, dat de convocaties voor de dies wel een werkzaamheid bevatten, maar dat deze niet gehouden werd. Nu het uur van afstand doen geslagen heeft, zie ik niet zonder weemoed de lange stoet der Regenboogvergaderingen, die ik bijwoonde, nog eens in mijn herinnering voorbijtrekken. Ik hoop dat de kring, ook onder veranderde omstandigheden, nog een toekomst zal hebben. Met mijn beste wensen,
O. Noordmans.
(ADRB)