654. W.J. Aalders1 aan O. Noordmans
Groningen, 9 october 1940
Waarde Vriend,
Ik dank u hartelijk voor uw brief op mijn verjaardag2 en voor de vormgeving van uw belangstelling door deel te nemen aan het fraaie geschenk3 waarmede een aantal vrienden mij - aanvankelijk als een onwillige - heeft verrast. Ik heb het zeer op prijs gesteld, dat gij een en ander gedaan hebt, want ik hecht veel aan u, reeds van onze eerste ontmoeting op de hei te Nunspeet af, en toenemend, ook naarmate de grote vragen, waarover gij denkt en schrijft, meer werkelijkheid voor ons hebben gekregen. En dat ik u de academische eer heb mogen geven, die u toekomt, beschouw ik altijd als een der lichtpunten in mijn universitair leven. Gij zult het moeilijk hebben. Maar als uit die moeilijkheid de artikelen geboren worden als gij er onlangs een geschreven hebt voor Woord en Wereld,4 wordt zij vruchtbaar voor anderen. Ik ben persoonlijk dankbaar, dat ik, door drie dagen na het einde van de oude cursus jarig te zijn, de nieuwe cursus nog geheel als dienstdoend mag volgen. Het hebben van een vaste taak in het leven in het vertrouwde universitaire verband - een en ander betekent in deze tijd veel. Ook verheug ik mij er over, dat, naar ik hoop, de kerk op gang begint te komen, ook al verandert er formeel vooralsnog niets in haar reorganisatie. Het is een waagstuk, maar wat is dit niet tegenwoordig? Het doet mij leed, dat gij niet behoort tot de 19-mannen,5 maar gij zult er uw redenen voor hebben. Hartelijk hoop ik, dat God u sterke, persoonlijk en ook voor anderen, in de toestand, waarin het Hem behaagt ons te doen komen. En hiermede groet ik u als uw
W.J. Aalders.
(AN)