668. O. Noordmans aan P. Scholten1
Laren (G.), 19 februari 1941
Hooggeachte professor Scholten,
Mijn dank voor uw brief en voor uw uitnodiging. Ik heb de convocatie heel serieus in overweging genomen, maar het is mij niet wel mogelijk er gevolg aan te geven. Deze week doe ik mijn werk weer, nadat ik een paar weken verhinderd was door een griepaanval. Ik heb deze week behalve mijn vele uren catechisatie nog twee begrafenissen te leiden, juist op vrijdag- en zaterdagmiddag: In een dier gevallen betreft het de moeder van een van mijn kerkeraadsleden. Bovendien moet voor 1 maart nog gereedkomen het slotartikel van de reeks in het Weekblad der Nederlandse Hervormde Kerk,2 een lezing voor een cursus, die ik te Zwolle3 houd, en een uitvoerige bijdrage voor het tijdschrift Overdenkingen.4 U ziet dat ik als reconvalescent de handen toch al vol heb en moeilijk er nog twee dagen uit kan. Gaarne had ik de vergadering bijgewoond; ook had ik graag eens rustig met u alles doorgesproken. Maar u zult mij, vertrouw ik, toestemmen dat ik wettige redenen heb voor mijn wegblijven, hoe belangrijk de bespreking op 21 februari ook geacht moet worden te zijn. Met mijn groeten, hoogachtend, uw dw.
O. Noordmans.
(APS)